archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
Dogmatische pretenties Hans Knegtmans

0214 Dogma
De hoofdpersoon van Dear Wendy is – zoals de titel al doet vermoeden – ene Wendy. De andere hoofdrolspeler heet Dick. Die spreekt zijn geliefde vaak en langdurig toe in romantische bewoordingen. Maar hij krijgt nooit antwoord. Wendy is namelijk een revolver. Moeten we hier verbaasd over zijn? Nee, geenszins. Scenarist van de film is de Deense filmmaker Lars von Trier. Lars is de vleesgeworden pretentie in de filmwereld. En al neemt het aantal recensenten toe die geen hoge pet ophebben van zijn artistieke opvattingen (‘kunstjes’ is misschien een betere benaming’), het kan nog heel lang duren voordat een film van hem in krantenrecensies in de categorie ‘overige’ of ‘ook in première’ in enkele niet al te lovende bewoordingen wordt afgedaan.

Von Trier is immers de veelbesproken oprichter van de beweging Dogme 95. Voor wie dat vergeten is of verdrongen heeft: Dogma verordonneerde een tiental geboden en verboden die elke filmer die ook maar een knip voor de neus waard was, in acht moet nemen. Er mag alleen op locatie worden gefilmd, zonder ‘oneigenlijke’ attributen (‘props’). Muziek mag niet, tenzij er een toevallig optredende blaaskapel in beeld wordt gebracht. De camera mag niet op een statief staan. Onnatuurlijke belichting (TL-buizen, zonder dat de regisseur beoogt een snackbar te filmen) mag ook niet. ‘Oppervlakkige actie’ (moord, wapengebruik) al evenmin. Slap gelul? Zeker. Maar dat laat onverlet dat Von Trier en zijn kornuiten – onder wie Thomas Vinterberg, de regisseur van Dear Wendy – tientallen films maakten onder het juk van hun eigen geboden. Daar valt in de regel weinig bij te genieten.

Het ‘beste’ voorbeeld is misschien Von Triers Idioterne uit 1998. Een commune met twintigers huldigt het standpunt dat in iedereen diep van binnen een idioot schuilgaat en dat het – om redenen die ik toen ook al niet begreep – goed is, die idioot de kans te geven naar buiten te treden. Dit leidt in de praktijk tot flauwe studentengrappen, waarbij in het restaurant of een zwembad nietsvermoedende medebezoekers het leven zuur wordt gemaakt. Ook valt er, hoewel dit niet direct voortvloeit uit idiotie, van onvervalste hardcore seks te genieten, met zichtbare penetratie en al. En dat alles zonder oppervlakkige actie, statief of muziek!

Iemand die zulke flauwekul bedenkt, verdient het niet, serieus genomen te worden, maar dat gebeurde dus wel. Zeker toen Von Trier zijn eigen spelregels liet voor wat ze waren, en eerst de slechtste musical aller tijden maakte ( Dancer in the Dark, met bar en boze liedjes van Björk), gevolgd door het al even pretentieuze Dogville (een huichelachtige, xenofobe gemeenschap buit een nieuwkomer genadeloos uit). Dogville leidde in sommige kringen tot prangende vraag of Von Trier werkelijk zo’n hekel had aan de Verenigde Staten of dat dit alleen maar zo lijkt omdat de met reisangst behepte cineast Amerika enigszins karikaturaal nabouwt in Europa, waardoor er een surrealistische sluier over de opnamen komt te liggen.

Dear Wendy maakt het beeld dat de niet-gelovigen onder de critici van Von Trier hebben, niet extremer, milder of genuanceerder. Technisch weet hij zijn weetje, maar het verhaal is vergezocht en dikdoenerig, en hij trapt met veel bombarie open deuren in. Het mijnwerkerstadje Estherslope wordt, hoe kan het ook anders, bevolkt door stoere mijnwerkers. Kerels uit één stuk, met getekende koppen. Wie niet in de mijn werkt, is een loser en een watje. Zo ook de adolescent Dick (gespeeld door een permanent verbouwereerd kijkende Jamie Bell). Door een speling van het lot krijgt hij een revolver in handen – Wendy, dus – en hij bedenkt dat de minst riskante soort pacifisme het bewapende pacifisme is. Wel een pistool of revolver bezitten maar met de uitdrukkelijke intentie dit nooit te gebruiken. (De ondeugdelijkheid van dit standpunt is al duizenden malen is aangetoond, maar zoals eerder is Von Trier nooit te beroerd om opnieuw het wiel uit te vinden.) Dick rekruteert gelijkgestemde kennissen – al even grote losers – en in geen tijd toveren ze een in onbruik geraakte mijnschacht om om tot een clubhuis en geven ze zichzelf de geuzennaam The Dandies. In het clubhuis kunnen ze zonder mankeren zich bekwamen in het schieten. Elk clublid geeft zijn wapentuig een mooie naam. Als de club over iets moet stemmen, brengt iedereen twee stemmen uit: een namens zichzelf en een namens zijn ‘partner’ (het wapen dus).

Het wachten is op de rampen die zich zullen voltrekken. De eerste bestaat uit de komst van de zwarte, jonge moordenaar Sebastian. Redneck-sheriff (Bill Pullman die kennelijk alle redneck-sheriffs van het witte doek naar de vergetelheid wil spelen) stelt Dick aan tot diens reclasseringsambtenaar tegen wil en dank. De overige leden reageren enthousiast op Sebastians stoere uiterlijk en mannelijke optreden, en Dick voelt zijn charisma bij de Dandies wegebben. Om zijn reputatie te redden bedenkt hij een operatie waarbij de club een bang oud vrouwtje escorteert zodat ze bij haar vriendin koffie kan gaan drinken. Een gewapend-pacifistische ordedienst, bij wijze van spreken. Deze bizarre onderneming resulteert in de bloederige shoot out die iedereen allang had zien aankomen.

De thematiek (het wapen is machtiger dan de man die het bij zich draagt), de gewild humoristische verteller (Dick op de momenten dat hij zich niet in belachelijke dialogen met zijn Wendy verliest), de metafoor van vuurwapen als seksuele partner, de zwarte jongen als pars pro toto voor alle kansarme minderheden in de VS, het is allemaal wel erg goedkoop. Von Trier probeert de kijker in te pakken met doorzichtige, makkelijke kunstjes. Kunstjes, daar zijn bijvoorbeeld de filmmakers Joel en Ethan Coen ook niet vies van. Maar bij hen staan ze in het teken van een vertelling die ertoe doet, zoals ook de personages er bij hen toe doen. En het belangrijkste verschil: hun observaties zijn origineel, creatief en geestig. Von Trier daarentegen hult zich keer op keer in dezelfde nieuwe kleren van de keizer.


© 2005 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
Dogmatische pretenties Hans Knegtmans
0214 Dogma
De hoofdpersoon van Dear Wendy is – zoals de titel al doet vermoeden – ene Wendy. De andere hoofdrolspeler heet Dick. Die spreekt zijn geliefde vaak en langdurig toe in romantische bewoordingen. Maar hij krijgt nooit antwoord. Wendy is namelijk een revolver. Moeten we hier verbaasd over zijn? Nee, geenszins. Scenarist van de film is de Deense filmmaker Lars von Trier. Lars is de vleesgeworden pretentie in de filmwereld. En al neemt het aantal recensenten toe die geen hoge pet ophebben van zijn artistieke opvattingen (‘kunstjes’ is misschien een betere benaming’), het kan nog heel lang duren voordat een film van hem in krantenrecensies in de categorie ‘overige’ of ‘ook in première’ in enkele niet al te lovende bewoordingen wordt afgedaan.

Von Trier is immers de veelbesproken oprichter van de beweging Dogme 95. Voor wie dat vergeten is of verdrongen heeft: Dogma verordonneerde een tiental geboden en verboden die elke filmer die ook maar een knip voor de neus waard was, in acht moet nemen. Er mag alleen op locatie worden gefilmd, zonder ‘oneigenlijke’ attributen (‘props’). Muziek mag niet, tenzij er een toevallig optredende blaaskapel in beeld wordt gebracht. De camera mag niet op een statief staan. Onnatuurlijke belichting (TL-buizen, zonder dat de regisseur beoogt een snackbar te filmen) mag ook niet. ‘Oppervlakkige actie’ (moord, wapengebruik) al evenmin. Slap gelul? Zeker. Maar dat laat onverlet dat Von Trier en zijn kornuiten – onder wie Thomas Vinterberg, de regisseur van Dear Wendy – tientallen films maakten onder het juk van hun eigen geboden. Daar valt in de regel weinig bij te genieten.

Het ‘beste’ voorbeeld is misschien Von Triers Idioterne uit 1998. Een commune met twintigers huldigt het standpunt dat in iedereen diep van binnen een idioot schuilgaat en dat het – om redenen die ik toen ook al niet begreep – goed is, die idioot de kans te geven naar buiten te treden. Dit leidt in de praktijk tot flauwe studentengrappen, waarbij in het restaurant of een zwembad nietsvermoedende medebezoekers het leven zuur wordt gemaakt. Ook valt er, hoewel dit niet direct voortvloeit uit idiotie, van onvervalste hardcore seks te genieten, met zichtbare penetratie en al. En dat alles zonder oppervlakkige actie, statief of muziek!

Iemand die zulke flauwekul bedenkt, verdient het niet, serieus genomen te worden, maar dat gebeurde dus wel. Zeker toen Von Trier zijn eigen spelregels liet voor wat ze waren, en eerst de slechtste musical aller tijden maakte ( Dancer in the Dark, met bar en boze liedjes van Björk), gevolgd door het al even pretentieuze Dogville (een huichelachtige, xenofobe gemeenschap buit een nieuwkomer genadeloos uit). Dogville leidde in sommige kringen tot prangende vraag of Von Trier werkelijk zo’n hekel had aan de Verenigde Staten of dat dit alleen maar zo lijkt omdat de met reisangst behepte cineast Amerika enigszins karikaturaal nabouwt in Europa, waardoor er een surrealistische sluier over de opnamen komt te liggen.

Dear Wendy maakt het beeld dat de niet-gelovigen onder de critici van Von Trier hebben, niet extremer, milder of genuanceerder. Technisch weet hij zijn weetje, maar het verhaal is vergezocht en dikdoenerig, en hij trapt met veel bombarie open deuren in. Het mijnwerkerstadje Estherslope wordt, hoe kan het ook anders, bevolkt door stoere mijnwerkers. Kerels uit één stuk, met getekende koppen. Wie niet in de mijn werkt, is een loser en een watje. Zo ook de adolescent Dick (gespeeld door een permanent verbouwereerd kijkende Jamie Bell). Door een speling van het lot krijgt hij een revolver in handen – Wendy, dus – en hij bedenkt dat de minst riskante soort pacifisme het bewapende pacifisme is. Wel een pistool of revolver bezitten maar met de uitdrukkelijke intentie dit nooit te gebruiken. (De ondeugdelijkheid van dit standpunt is al duizenden malen is aangetoond, maar zoals eerder is Von Trier nooit te beroerd om opnieuw het wiel uit te vinden.) Dick rekruteert gelijkgestemde kennissen – al even grote losers – en in geen tijd toveren ze een in onbruik geraakte mijnschacht om om tot een clubhuis en geven ze zichzelf de geuzennaam The Dandies. In het clubhuis kunnen ze zonder mankeren zich bekwamen in het schieten. Elk clublid geeft zijn wapentuig een mooie naam. Als de club over iets moet stemmen, brengt iedereen twee stemmen uit: een namens zichzelf en een namens zijn ‘partner’ (het wapen dus).

Het wachten is op de rampen die zich zullen voltrekken. De eerste bestaat uit de komst van de zwarte, jonge moordenaar Sebastian. Redneck-sheriff (Bill Pullman die kennelijk alle redneck-sheriffs van het witte doek naar de vergetelheid wil spelen) stelt Dick aan tot diens reclasseringsambtenaar tegen wil en dank. De overige leden reageren enthousiast op Sebastians stoere uiterlijk en mannelijke optreden, en Dick voelt zijn charisma bij de Dandies wegebben. Om zijn reputatie te redden bedenkt hij een operatie waarbij de club een bang oud vrouwtje escorteert zodat ze bij haar vriendin koffie kan gaan drinken. Een gewapend-pacifistische ordedienst, bij wijze van spreken. Deze bizarre onderneming resulteert in de bloederige shoot out die iedereen allang had zien aankomen.

De thematiek (het wapen is machtiger dan de man die het bij zich draagt), de gewild humoristische verteller (Dick op de momenten dat hij zich niet in belachelijke dialogen met zijn Wendy verliest), de metafoor van vuurwapen als seksuele partner, de zwarte jongen als pars pro toto voor alle kansarme minderheden in de VS, het is allemaal wel erg goedkoop. Von Trier probeert de kijker in te pakken met doorzichtige, makkelijke kunstjes. Kunstjes, daar zijn bijvoorbeeld de filmmakers Joel en Ethan Coen ook niet vies van. Maar bij hen staan ze in het teken van een vertelling die ertoe doet, zoals ook de personages er bij hen toe doen. En het belangrijkste verschil: hun observaties zijn origineel, creatief en geestig. Von Trier daarentegen hult zich keer op keer in dezelfde nieuwe kleren van de keizer.
© 2005 Hans Knegtmans
powered by CJ2