archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
Leve het Leids Film Festival! Hans Knegtmans

0902VG Margin Call
Het Leids Film Festival (LFF) blijft groeien. De editie van 2011 trok 25.000 bezoekers, een groei van bijna 25% ten opzichte van 2010. Ik beschik niet over de cijfers van andere nationale filmfestivals, maar op het eerste gezicht is dit een serieuze stijging. Dat komt deels door de toenemende professionalisering van het evenement. Artistiek directeur Alexander Mouret en zakelijk leider Michael Roumen zijn inmiddels internationaal bekend en hebben toegang tot de meest prestigieuze festivals. Hun huidige expertise is onvergelijkbaar met die in 2006, toen ze als studenten met filmbelangstelling (daar zijn er duizenden van) een bescheiden evenementje in elkaar timmerden, waarbij hun aandacht vooral uitging naar probeersels van jong filmtalent.

Dat programmaonderdeel bestaat nog steeds, maar ik vermoed dat een grote meerderheid van de festivalbezoekers daar nauwelijks weet van heeft. Aan de andere kant: de tijd dat de zalen van Trianon en Kijkhuis alleen volliepen bij voorpremières (vooral als die afkomstig waren uit Hollywood) lijkt voorgoed voorbij.
Verleden jaar bedacht de organisatie de Iron Herring Competition. Zes buitenlandse speelfilms die nog geen Nederlandse distributeur hadden gevonden, dongen mee naar de prijs van € 10.000. Die ging niet naar de maker, maar naar de distributeur die het aandurfde de film uit te brengen in de filmtheaters. Deze voorstellingen zaten flink vol, ook al was de kwaliteit van sommige geselecteerde films op zijn zachtst gezegd dubieus.

Gesterkt door het succes van de winnende film (Untitled) werd dit jaar het experiment herhaald, nu zelfs met acht films in competitie. En kijk nu toch.Twee daarvan prijken in de top tien van publieksfavorieten: het Noorse Happy Happy en de latere winnaar van de Iron Herring, Avé van de debuterende Bulgaarse regisseur Konstatin Bojanov. Even opmerkelijk was het succes – een vierde plaats in de top tien – van het Zweedse Beyond, een typische festivalfilm die te elfder ure de plaats van een niet-beschikbare titel had ingenomen. Het lijkt erop dat het ‘nieuwe’ Leidse publiek, meer dan de bezoekers van de eerste festivaledities, behoorlijk thuis is op het terrein van de Arthouse-cinema en in die zin meer overeenkomt met bijvoorbeeld de vaste klanten van grote broer IFFR in Rotterdam. Als dat inderdaad het geval zou zijn, is dat een gunstige ontwikkeling.

Nieuw op het festival was het onderdeel The Reel Cinema (let op de woordspeling), in samenwerking met het Confucius Instituut dat verbonden is aan de Universiteit Leiden. Volgens de festivalleiding biedt het programma van drie films ‘een dwarsdoorsnede van de huidige Chinese Cinema’. Films die ‘volle zalen trekken in China, maar in Nederland nooit op het grote doek vertoond worden’. Dat klopt niet helemaal. Aftershock en Let the Bullets Fly waren in 2010 inderdaad onvervalste kaskrakers, maar The Piano in the Factory is slechts een bescheiden Arthouse-productie. Bovendien werd die laatste film in Nederland reeds vertoond op het IFFR van dit jaar. De bezoeker wordt dus niet veel wijzer van ‘de’ Chinese film. Bij The Piano in the Factory kon hij/zij in ieder geval vaststellen wat al jaren bekend is: China behoort tot de top van landen die mooie, intelligente films met een hoog Arthouse-gehalte produceren.

Het echte Chinese avontuur trof het publiek aan in Aftershock, gebaseerd0902VG Drive op de monsterlijke aardbeving van 1976 in de stad Tangshan, waarbij 240.000 doden vielen. Tijdens de twintig minuten durende filmramp (in het echt duurde hij nog geen minuut) richt regisseur Xiaogang Feng de camera op een jong echtpaar. De man komt om en de wanhopige moeder ziet hoe haar tweeling – dochter en zoontje – niet ver van elkaar onder het puin dreigt te sterven. Hulpverleners leggen de vrouw en ons een keer of tien uit dat maar één van hen gered kan worden. Wie moet het worden, de zoon of de dochter? (Het dilemma is welbekend uit de film Sophie’s Choice.) De moeder kiest voor de zoon en ontdekt pas veel later wat het publiek allang weet: ook de dochter heeft de ramp overleeft en wordt sindsdien in een pleeggezin opgevoed. Sommigen beschouwen de film als een psychologisch hoogstandje. Anderen – onder wie uw Leunstoelrecensent – kregen associaties met klassieke Hollywoodtearjerkers als Gone With the Wind, ooit beschouwd als meesterwerk maar nu toch wel erg soapy. Zelfs de muziek doet denken aan de soundtrack van die klassieker, maar dan zonder de genialiteit van componist Max Steiner. Al met al kan dit onderdeel een verrijking betekenen, maar dan moet er nog flink aan geschaafd worden.

Niet voor de eerste keer bleef de kwaliteit van de openingsfilm ver achter bij die van de overige avantpremières. Margin Call (vanaf 10 november in de bioscoop) van regisseur J.C. Chandor beschrijft enigszins simplistisch hoe een groot noodleidend bedrijf een economische crisis kan inluiden door middel van een spectaculaire fire sale. Meteen na opening van de beurs worden de aandelen verkocht voor spotprijzen en tegen de tijd dat de handelspartners doorhebben dat ze genaaid zijn, heeft de verkopende partij zijn schaapjes op het droge. Dit is natuurlijk moreel niet erg hoogstaand. Voorts hebben alle betrokkenen zich in één klap onmogelijk gemaakt in de financiële wereld. Margin Call is een onderhoudend drama met sterke rollen van Kevin Spacey en oudgediende Jeremy Irons, maar zeker geen hoogvlieger.

Drive daarentegen – vanaf 3 november in de bioscoop – biedt een filmervaring van de eerste orde. Nicolas Winding Refn ontving in Cannes de prijs voor beste regie, en Ryan Gosling toont overtuigend aan dat hij dit jaar uit het peloton van jongere acteurs is weggedemarreerd. In het begin van het verhaal is hij nog een bescheiden naamloze krabbelaar, die parttime de kost verdient als stuntcoureur bij speelfilms en de rest van de tijd als freelance chauffeur bij gewapende overvallen. Dat verandert als hij verliefd wordt op de jonge moeder Irene (Carey Mulligan). Wanneer haar echtgenoot, meteen na het uitzitten van zijn gevangenschap, vanwege schulden hardhandig in aanvaring komt met de onderwereld, werpt de chauffeur zich op als beschermer van Irene en haar zoontje. Strak gefilmd, met een onthutsend inkijkje in de inktzwarte onderwereld van LA. Ga dat zien!

En dan heb ik het nog niet eens over andere festivalfilms die minstens zo goed zijn: 50/50, We Need to Talk About Kevin, en The Artist. Allemaal binnen enkele weken in dit theater. We kunnen slechts hopen dat LFF in 2012 de opgaande lijn weet voort te zetten. Ik heb er wel vertrouwen in.
 
************************
Abonneert u op de Nieuwsbrief.


© 2011 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
Leve het Leids Film Festival! Hans Knegtmans
0902VG Margin Call
Het Leids Film Festival (LFF) blijft groeien. De editie van 2011 trok 25.000 bezoekers, een groei van bijna 25% ten opzichte van 2010. Ik beschik niet over de cijfers van andere nationale filmfestivals, maar op het eerste gezicht is dit een serieuze stijging. Dat komt deels door de toenemende professionalisering van het evenement. Artistiek directeur Alexander Mouret en zakelijk leider Michael Roumen zijn inmiddels internationaal bekend en hebben toegang tot de meest prestigieuze festivals. Hun huidige expertise is onvergelijkbaar met die in 2006, toen ze als studenten met filmbelangstelling (daar zijn er duizenden van) een bescheiden evenementje in elkaar timmerden, waarbij hun aandacht vooral uitging naar probeersels van jong filmtalent.

Dat programmaonderdeel bestaat nog steeds, maar ik vermoed dat een grote meerderheid van de festivalbezoekers daar nauwelijks weet van heeft. Aan de andere kant: de tijd dat de zalen van Trianon en Kijkhuis alleen volliepen bij voorpremières (vooral als die afkomstig waren uit Hollywood) lijkt voorgoed voorbij.
Verleden jaar bedacht de organisatie de Iron Herring Competition. Zes buitenlandse speelfilms die nog geen Nederlandse distributeur hadden gevonden, dongen mee naar de prijs van € 10.000. Die ging niet naar de maker, maar naar de distributeur die het aandurfde de film uit te brengen in de filmtheaters. Deze voorstellingen zaten flink vol, ook al was de kwaliteit van sommige geselecteerde films op zijn zachtst gezegd dubieus.

Gesterkt door het succes van de winnende film (Untitled) werd dit jaar het experiment herhaald, nu zelfs met acht films in competitie. En kijk nu toch.Twee daarvan prijken in de top tien van publieksfavorieten: het Noorse Happy Happy en de latere winnaar van de Iron Herring, Avé van de debuterende Bulgaarse regisseur Konstatin Bojanov. Even opmerkelijk was het succes – een vierde plaats in de top tien – van het Zweedse Beyond, een typische festivalfilm die te elfder ure de plaats van een niet-beschikbare titel had ingenomen. Het lijkt erop dat het ‘nieuwe’ Leidse publiek, meer dan de bezoekers van de eerste festivaledities, behoorlijk thuis is op het terrein van de Arthouse-cinema en in die zin meer overeenkomt met bijvoorbeeld de vaste klanten van grote broer IFFR in Rotterdam. Als dat inderdaad het geval zou zijn, is dat een gunstige ontwikkeling.

Nieuw op het festival was het onderdeel The Reel Cinema (let op de woordspeling), in samenwerking met het Confucius Instituut dat verbonden is aan de Universiteit Leiden. Volgens de festivalleiding biedt het programma van drie films ‘een dwarsdoorsnede van de huidige Chinese Cinema’. Films die ‘volle zalen trekken in China, maar in Nederland nooit op het grote doek vertoond worden’. Dat klopt niet helemaal. Aftershock en Let the Bullets Fly waren in 2010 inderdaad onvervalste kaskrakers, maar The Piano in the Factory is slechts een bescheiden Arthouse-productie. Bovendien werd die laatste film in Nederland reeds vertoond op het IFFR van dit jaar. De bezoeker wordt dus niet veel wijzer van ‘de’ Chinese film. Bij The Piano in the Factory kon hij/zij in ieder geval vaststellen wat al jaren bekend is: China behoort tot de top van landen die mooie, intelligente films met een hoog Arthouse-gehalte produceren.

Het echte Chinese avontuur trof het publiek aan in Aftershock, gebaseerd0902VG Drive op de monsterlijke aardbeving van 1976 in de stad Tangshan, waarbij 240.000 doden vielen. Tijdens de twintig minuten durende filmramp (in het echt duurde hij nog geen minuut) richt regisseur Xiaogang Feng de camera op een jong echtpaar. De man komt om en de wanhopige moeder ziet hoe haar tweeling – dochter en zoontje – niet ver van elkaar onder het puin dreigt te sterven. Hulpverleners leggen de vrouw en ons een keer of tien uit dat maar één van hen gered kan worden. Wie moet het worden, de zoon of de dochter? (Het dilemma is welbekend uit de film Sophie’s Choice.) De moeder kiest voor de zoon en ontdekt pas veel later wat het publiek allang weet: ook de dochter heeft de ramp overleeft en wordt sindsdien in een pleeggezin opgevoed. Sommigen beschouwen de film als een psychologisch hoogstandje. Anderen – onder wie uw Leunstoelrecensent – kregen associaties met klassieke Hollywoodtearjerkers als Gone With the Wind, ooit beschouwd als meesterwerk maar nu toch wel erg soapy. Zelfs de muziek doet denken aan de soundtrack van die klassieker, maar dan zonder de genialiteit van componist Max Steiner. Al met al kan dit onderdeel een verrijking betekenen, maar dan moet er nog flink aan geschaafd worden.

Niet voor de eerste keer bleef de kwaliteit van de openingsfilm ver achter bij die van de overige avantpremières. Margin Call (vanaf 10 november in de bioscoop) van regisseur J.C. Chandor beschrijft enigszins simplistisch hoe een groot noodleidend bedrijf een economische crisis kan inluiden door middel van een spectaculaire fire sale. Meteen na opening van de beurs worden de aandelen verkocht voor spotprijzen en tegen de tijd dat de handelspartners doorhebben dat ze genaaid zijn, heeft de verkopende partij zijn schaapjes op het droge. Dit is natuurlijk moreel niet erg hoogstaand. Voorts hebben alle betrokkenen zich in één klap onmogelijk gemaakt in de financiële wereld. Margin Call is een onderhoudend drama met sterke rollen van Kevin Spacey en oudgediende Jeremy Irons, maar zeker geen hoogvlieger.

Drive daarentegen – vanaf 3 november in de bioscoop – biedt een filmervaring van de eerste orde. Nicolas Winding Refn ontving in Cannes de prijs voor beste regie, en Ryan Gosling toont overtuigend aan dat hij dit jaar uit het peloton van jongere acteurs is weggedemarreerd. In het begin van het verhaal is hij nog een bescheiden naamloze krabbelaar, die parttime de kost verdient als stuntcoureur bij speelfilms en de rest van de tijd als freelance chauffeur bij gewapende overvallen. Dat verandert als hij verliefd wordt op de jonge moeder Irene (Carey Mulligan). Wanneer haar echtgenoot, meteen na het uitzitten van zijn gevangenschap, vanwege schulden hardhandig in aanvaring komt met de onderwereld, werpt de chauffeur zich op als beschermer van Irene en haar zoontje. Strak gefilmd, met een onthutsend inkijkje in de inktzwarte onderwereld van LA. Ga dat zien!

En dan heb ik het nog niet eens over andere festivalfilms die minstens zo goed zijn: 50/50, We Need to Talk About Kevin, en The Artist. Allemaal binnen enkele weken in dit theater. We kunnen slechts hopen dat LFF in 2012 de opgaande lijn weet voort te zetten. Ik heb er wel vertrouwen in.
 
************************
Abonneert u op de Nieuwsbrief.
© 2011 Hans Knegtmans
powered by CJ2