archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
De een zijn trauma is de ander zijn wonder Hans Knegtmans

0119 Trauma
Tijdens elk WK of EK voetbal barst in Nederland het gezeur weer los over de verloren finale tegen West-Duitsland in 1974. Ik doe daar zelf ook aan mee, moet ik toegeven. Toch getuigt die opgeklopte treurnis van een zekere kortzichtigheid. 'Onze' nederlaag is een lachertje vergeleken met het drama dat zich over Hongarije voltrok in de WK-finale van 1954. In Bern, en uiteraard tegen West-Duitsland. Dat zit zo. Nederland schopte in 1974 in de periode voorafgaand aan het kampioenschap geen deuk in een pakje boter. Wie voorspeld zou hebben dat we in de finale zouden komen, had kunnen gaan rentenieren van de talloze gewonnen weddenschappen. Pas vanaf de eerste minuut van de eerste wedstrijd – tegen Uruguay – werd het een ieder duidelijk dat dit een ander, beter team was dan het krukkige elftal dat we gewend waren.
 
Nee, dan Hongarije! Dat had al drie, vier jaar het beste elftal van de wereld, wisten de kenners. Het definitieve bewijs daarvan werd geleverd in de – enige echte – 'wedstrijd van de (twintigste) eeuw', gespeeld op 25 november 1953, in het vermaarde Wembley Stadion in Londen. Nog nooit had Engeland daar verloren. Tot de Hongaren op bezoek kwamen. Een afstraffing werd het: 6-3, en daarmee mochten de Engelsen nog in hun handen knijpen. Het Hongaarse elftal werd bejubeld in de media. In de kranten werden nadien zelfs de oefenwedstrijden, om de een of andere reden altijd tegen een naamloos 'fabriekselftal' uit eigen land, op de voet gevolgd. Het nationale team won meestal met 18-0, en ook dat maakte hier diepe indruk.
 
Iedereen kende de Hongaarse sterspeler Ferenc Puskas, die majoor was in het leger. De echte liefhebbers hadden ook de namen van de overige spelers paraat, zoals de andere spitsen, Kocsis en Hidegkuti. In de kantine van mijn voetbalclub Xerxes was ter gelegenheid van de WK-finale een TV opgesteld. Het zwart-wit toestel – waarschijnlijk belangeloos ter beschikking gesteld door de clubvoorzitter – had een beeldbuis van hooguit 35 cm, maar het was 1954, we waren piepjong en hadden goede ogen. Geheel volgens verwachting stond Hongarije binnen tien minuten met 2-0 voor. Vanaf dat moment echter gebeurden er dingen die voor Duitsers heel normaal zijn maar in de rest van de wereld niet. Bij rust was de stand al gelijk, en zes minuten voor tijd scoorde Helmut Rahn de winnende treffer. De ontzetting van mijn vrienden en mij had niets met WOII te maken (de 'oude wonden'-verklaring die na het verlies in 1974 opgeld deed). Welnee. Meer dan eens had ik met mijn moeder een meerdaagse busreis gemaakt naar Monschau of de Drachenfells, en dat was altijd reuze leuk geweest. Nee, het probleem was dat het allerbeste elftal, dat vanzelfsprekend alles maar dan ook alles won, zomaar een wedstrijd kon verliezen. Als het Hongaarse voetbalteam je in de steek laat, waar kun je dan in de wereld nog van op aan?
 
Regisseur Sönke Wortmann was in 1954 nog niet geboren. En hij is Duitser. Geen wonder dat hij andere gevoelens heeft over die WK-finale dan ik. Hij maakt van de voetbalwedstrijd een metafoor van de herrijzenis van West-Duitsland uit de as van WOII. Das Wunder von Bern (de stad waar de finale werd gespeeld) heet de film, die bij onze oosterburen een eclatant succes was. De familie Lubanski heeft het niet breed, in de treurige buitenwijk Essen-Katernberg. Moeder (Johanna Gastdorf) runt een café, dochter Ingrid helpt als serveerster, zoon Bruno schnabbelt in een bandje en de elfjarige Matthias (Louis Klamroth) fabriceert sigaretten uit de tabak van weggegooide peuken. Daarnaast mag hij de tas dragen van stervoetballer en buurtgenoot Helmuth Rahn die voor Rot-Weiss Essen uitkomt. Deze heeft het jochie verzekerd dat hij in belangrijke wedstrijden niet goed kan spelen zonder zijn vaste tassendrager. Zo maakt iedereen zich verdienstelijk en niemand in het harmonieuze gezinnetje lijkt erg te treuren om de afwezigheid van vader (Peter Lohrmeyer). Die verblijft nog steeds in het verre Rusland. Zijn krijgsgevangenschap is met een aantal jaren verlengd vanwege een onbenullige diefstal. (Let op: wie zich door de film wil laten verrassen moet nu ophouden met lezen.)
 
Maar o wee als vader op vrije voeten komt! De sfeer in huize Lubanski is plotseling om te snijden. Vader is een verbitterd stuk chagrijn geworden, die slecht bestand blijkt tegen de decadente leefwijze van zijn gezinsleden. Hij laat geen gelegenheid onbenut om af te geven op de horeca, de hedendaagse jongerenmuziek en de voetbalverdwazing van de Matthias en de rest van de buurt. Zijn beide zoons lopen rake klappen op. Voor Bruno is de maat vol en hij vertrekt naar de DDR, om mee te bouwen aan de socialistische heilstaat. Gelukkig neemt dan het verhaal een jongensboekachtige wending ten goede. Moeder legt aan de twee overgebleven kinderen uit hoe moeilijk vader het in gevangenschap heeft gehad, en ook vader zelf geeft in gruwelijk detail opheldering over de doorstane ontberingen. Als bij toverslag groeien alle familieleden naar elkaar toe. Vader trapt op een onbewaakt moment een balletje achter het huis, en op zijn beurt zet Matthias de radio uit om aan tafel te gaan, voetbalreportage of niet.
 
De apotheose van het verhaal begint met een autorit naar Zwitserland. Vader heeft van een buurtgenoot een oude DKW geleend, en met Matthias zet hij koers naar de finaleplaats Bern. Ze hebben geen kaartjes, en ook zijn ze veel te laat van huis gegaan. Op de autoradio (een radio in een aftandse DKW?) is het wedstrijdverslag van de finale begonnen, terwijl vader en zoon, afgaande op het landschapsbeeld, nog tientallen kilometers van Bern verwijderd moeten zijn. Desondanks blijft de sfeer in de auto heel ontspannen. Nu ja, het is maar film. Tien minuten voor afloop van de wedstrijd – de stand is 2-2 – parkeert vader zijn auto recht voor het stadion en Matthias glipt naar binnen. Ongehinderd betreedt hij het veld en gooit de bal die over de zijlijn op hem toerolt terug naar…. Naar zijn idool Helmut Rahn natuurlijk, wie anders? Prompt scoort Rahn de winnende treffer. West-Duitsland is wereldkampioen.
 
Dit is maar een van de drie vertellijnen. Daarnaast volgt de film het trainingskamp van het Westduitse elftal en de belevenissen van het team tijdens het toernooi. Wortmann weet genoeg van voetbal om daar verhaaltechnisch geen rommeltje van te maken, ook al zal geen enkele voetballiefhebber begrijpen hoe het speelschema precies in elkaar stak. Dat Duitsland liefst twee keer tegen Hongarije speelde – een keer in de voorronden en een keer in de eindronde – wist ik al. Maar ze treden ook nog eens twee keer tegen Turkije aan. Wat is dat voor belachelijk kampioenschap? Hoeveel landen doen er mee en in hoeveel poules? Het dieptepunt van de film is echter de registratie van de zogenaamde finale. Wortmann laat de wedstrijd naspelen door hedendaagse voetballers in plaats van archiefbeelden te gebruiken. Een begrijpelijke keus, gegeven de scène met Matthias en van de acteur Sascha Göpel die Helmut Rahn speelt. Maar zijn poging om met gebruikmaking van computeranimatie de nepwedstrijd te laten verspelen in een echt stadion met echt publiek heeft het realiteitsgehalte van een poppenkastvoorstelling. We zien een graslandje waaromheen ogenschijnlijk een houten schutting is opgesteld, die op onbegrijpelijke wijze overgaat in wat een tribune moet voorstellen. De gecomputeriseerde veldslagen met niet-bestaande wezens in The Lord of the Rings  waren een wonder van echtheid vergeleken met dit geklungel. En dat met een miljoenenbudget.
 
Das Wunder von Bern bezwijkt onder de pretenties van een regisseur die zijn beperkingen niet kent. De geschiedschrijving van het naoorlogse West-Duitsland houdt in zijn zwart-wit 'realisme' het midden tussen een streekroman en een jongensboek en ik hoefde er bij alle dramatiek geen traan om te laten. De ontmoeting van de twee vertellijnen tijdens de voetbalfinale is naïef. En een derde thema – een journalist mag van zijn kersverse bruid alleen dan het kampioenschap verslaan als zij mee mag naar het evenement – doet nog het meest denken aan goedmoedige Duitse komedies uit grootmoeders tijd, die vandaag de dag te belegen worden bevonden voor hervertoning op TV. De film heeft op verschillende festivals (Locarno, San Francisco) de publieksprijs in de wacht gesleept. Kennelijk zijn de bezoekers van IFFR Rotterdam niet de enigen met een voorliefde voor makkelijk verteerbare feel-good films.


© 2004 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
De een zijn trauma is de ander zijn wonder Hans Knegtmans
0119 Trauma
Tijdens elk WK of EK voetbal barst in Nederland het gezeur weer los over de verloren finale tegen West-Duitsland in 1974. Ik doe daar zelf ook aan mee, moet ik toegeven. Toch getuigt die opgeklopte treurnis van een zekere kortzichtigheid. 'Onze' nederlaag is een lachertje vergeleken met het drama dat zich over Hongarije voltrok in de WK-finale van 1954. In Bern, en uiteraard tegen West-Duitsland. Dat zit zo. Nederland schopte in 1974 in de periode voorafgaand aan het kampioenschap geen deuk in een pakje boter. Wie voorspeld zou hebben dat we in de finale zouden komen, had kunnen gaan rentenieren van de talloze gewonnen weddenschappen. Pas vanaf de eerste minuut van de eerste wedstrijd – tegen Uruguay – werd het een ieder duidelijk dat dit een ander, beter team was dan het krukkige elftal dat we gewend waren.
 
Nee, dan Hongarije! Dat had al drie, vier jaar het beste elftal van de wereld, wisten de kenners. Het definitieve bewijs daarvan werd geleverd in de – enige echte – 'wedstrijd van de (twintigste) eeuw', gespeeld op 25 november 1953, in het vermaarde Wembley Stadion in Londen. Nog nooit had Engeland daar verloren. Tot de Hongaren op bezoek kwamen. Een afstraffing werd het: 6-3, en daarmee mochten de Engelsen nog in hun handen knijpen. Het Hongaarse elftal werd bejubeld in de media. In de kranten werden nadien zelfs de oefenwedstrijden, om de een of andere reden altijd tegen een naamloos 'fabriekselftal' uit eigen land, op de voet gevolgd. Het nationale team won meestal met 18-0, en ook dat maakte hier diepe indruk.
 
Iedereen kende de Hongaarse sterspeler Ferenc Puskas, die majoor was in het leger. De echte liefhebbers hadden ook de namen van de overige spelers paraat, zoals de andere spitsen, Kocsis en Hidegkuti. In de kantine van mijn voetbalclub Xerxes was ter gelegenheid van de WK-finale een TV opgesteld. Het zwart-wit toestel – waarschijnlijk belangeloos ter beschikking gesteld door de clubvoorzitter – had een beeldbuis van hooguit 35 cm, maar het was 1954, we waren piepjong en hadden goede ogen. Geheel volgens verwachting stond Hongarije binnen tien minuten met 2-0 voor. Vanaf dat moment echter gebeurden er dingen die voor Duitsers heel normaal zijn maar in de rest van de wereld niet. Bij rust was de stand al gelijk, en zes minuten voor tijd scoorde Helmut Rahn de winnende treffer. De ontzetting van mijn vrienden en mij had niets met WOII te maken (de 'oude wonden'-verklaring die na het verlies in 1974 opgeld deed). Welnee. Meer dan eens had ik met mijn moeder een meerdaagse busreis gemaakt naar Monschau of de Drachenfells, en dat was altijd reuze leuk geweest. Nee, het probleem was dat het allerbeste elftal, dat vanzelfsprekend alles maar dan ook alles won, zomaar een wedstrijd kon verliezen. Als het Hongaarse voetbalteam je in de steek laat, waar kun je dan in de wereld nog van op aan?
 
Regisseur Sönke Wortmann was in 1954 nog niet geboren. En hij is Duitser. Geen wonder dat hij andere gevoelens heeft over die WK-finale dan ik. Hij maakt van de voetbalwedstrijd een metafoor van de herrijzenis van West-Duitsland uit de as van WOII. Das Wunder von Bern (de stad waar de finale werd gespeeld) heet de film, die bij onze oosterburen een eclatant succes was. De familie Lubanski heeft het niet breed, in de treurige buitenwijk Essen-Katernberg. Moeder (Johanna Gastdorf) runt een café, dochter Ingrid helpt als serveerster, zoon Bruno schnabbelt in een bandje en de elfjarige Matthias (Louis Klamroth) fabriceert sigaretten uit de tabak van weggegooide peuken. Daarnaast mag hij de tas dragen van stervoetballer en buurtgenoot Helmuth Rahn die voor Rot-Weiss Essen uitkomt. Deze heeft het jochie verzekerd dat hij in belangrijke wedstrijden niet goed kan spelen zonder zijn vaste tassendrager. Zo maakt iedereen zich verdienstelijk en niemand in het harmonieuze gezinnetje lijkt erg te treuren om de afwezigheid van vader (Peter Lohrmeyer). Die verblijft nog steeds in het verre Rusland. Zijn krijgsgevangenschap is met een aantal jaren verlengd vanwege een onbenullige diefstal. (Let op: wie zich door de film wil laten verrassen moet nu ophouden met lezen.)
 
Maar o wee als vader op vrije voeten komt! De sfeer in huize Lubanski is plotseling om te snijden. Vader is een verbitterd stuk chagrijn geworden, die slecht bestand blijkt tegen de decadente leefwijze van zijn gezinsleden. Hij laat geen gelegenheid onbenut om af te geven op de horeca, de hedendaagse jongerenmuziek en de voetbalverdwazing van de Matthias en de rest van de buurt. Zijn beide zoons lopen rake klappen op. Voor Bruno is de maat vol en hij vertrekt naar de DDR, om mee te bouwen aan de socialistische heilstaat. Gelukkig neemt dan het verhaal een jongensboekachtige wending ten goede. Moeder legt aan de twee overgebleven kinderen uit hoe moeilijk vader het in gevangenschap heeft gehad, en ook vader zelf geeft in gruwelijk detail opheldering over de doorstane ontberingen. Als bij toverslag groeien alle familieleden naar elkaar toe. Vader trapt op een onbewaakt moment een balletje achter het huis, en op zijn beurt zet Matthias de radio uit om aan tafel te gaan, voetbalreportage of niet.
 
De apotheose van het verhaal begint met een autorit naar Zwitserland. Vader heeft van een buurtgenoot een oude DKW geleend, en met Matthias zet hij koers naar de finaleplaats Bern. Ze hebben geen kaartjes, en ook zijn ze veel te laat van huis gegaan. Op de autoradio (een radio in een aftandse DKW?) is het wedstrijdverslag van de finale begonnen, terwijl vader en zoon, afgaande op het landschapsbeeld, nog tientallen kilometers van Bern verwijderd moeten zijn. Desondanks blijft de sfeer in de auto heel ontspannen. Nu ja, het is maar film. Tien minuten voor afloop van de wedstrijd – de stand is 2-2 – parkeert vader zijn auto recht voor het stadion en Matthias glipt naar binnen. Ongehinderd betreedt hij het veld en gooit de bal die over de zijlijn op hem toerolt terug naar…. Naar zijn idool Helmut Rahn natuurlijk, wie anders? Prompt scoort Rahn de winnende treffer. West-Duitsland is wereldkampioen.
 
Dit is maar een van de drie vertellijnen. Daarnaast volgt de film het trainingskamp van het Westduitse elftal en de belevenissen van het team tijdens het toernooi. Wortmann weet genoeg van voetbal om daar verhaaltechnisch geen rommeltje van te maken, ook al zal geen enkele voetballiefhebber begrijpen hoe het speelschema precies in elkaar stak. Dat Duitsland liefst twee keer tegen Hongarije speelde – een keer in de voorronden en een keer in de eindronde – wist ik al. Maar ze treden ook nog eens twee keer tegen Turkije aan. Wat is dat voor belachelijk kampioenschap? Hoeveel landen doen er mee en in hoeveel poules? Het dieptepunt van de film is echter de registratie van de zogenaamde finale. Wortmann laat de wedstrijd naspelen door hedendaagse voetballers in plaats van archiefbeelden te gebruiken. Een begrijpelijke keus, gegeven de scène met Matthias en van de acteur Sascha Göpel die Helmut Rahn speelt. Maar zijn poging om met gebruikmaking van computeranimatie de nepwedstrijd te laten verspelen in een echt stadion met echt publiek heeft het realiteitsgehalte van een poppenkastvoorstelling. We zien een graslandje waaromheen ogenschijnlijk een houten schutting is opgesteld, die op onbegrijpelijke wijze overgaat in wat een tribune moet voorstellen. De gecomputeriseerde veldslagen met niet-bestaande wezens in The Lord of the Rings  waren een wonder van echtheid vergeleken met dit geklungel. En dat met een miljoenenbudget.
 
Das Wunder von Bern bezwijkt onder de pretenties van een regisseur die zijn beperkingen niet kent. De geschiedschrijving van het naoorlogse West-Duitsland houdt in zijn zwart-wit 'realisme' het midden tussen een streekroman en een jongensboek en ik hoefde er bij alle dramatiek geen traan om te laten. De ontmoeting van de twee vertellijnen tijdens de voetbalfinale is naïef. En een derde thema – een journalist mag van zijn kersverse bruid alleen dan het kampioenschap verslaan als zij mee mag naar het evenement – doet nog het meest denken aan goedmoedige Duitse komedies uit grootmoeders tijd, die vandaag de dag te belegen worden bevonden voor hervertoning op TV. De film heeft op verschillende festivals (Locarno, San Francisco) de publieksprijs in de wacht gesleept. Kennelijk zijn de bezoekers van IFFR Rotterdam niet de enigen met een voorliefde voor makkelijk verteerbare feel-good films.
© 2004 Hans Knegtmans
powered by CJ2