archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
Een bevlogen vakman Hans Knegtmans

0802VG Vakman
Als ik niet mijn filmstukje straks moest opsturen ging ik misschien wel naar een andere film om die morgen te recenseren. Niet dat ik de Thaise film Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives slecht vind. Of saai. Of irritant. Integendeel, Uncle Boonmee behoort tot de interessantste en visueel mooiste films van het jaar. Maar uitleggen waar het verhaal ‘eigenlijk’ over gaat, daar begin ik niet aan. Als ik daaraan denk, krijg ik benauwende herinneringen aan mijn middelbare schooltijd, wanneer de leraar Nederlands ons de beruchte vraag stelde: ‘wat bedoelt de schrijver met (…)’. Het goede antwoord was in de regel niet wat de schrijver hierover persoonlijk had gemeld, maar de interpretatie van de leraar, hetzij zelfbedacht, hetzij ergens gelezen of van een collega gehoord.

Gelukkig ben ik niet de enige. Op de filmpagina van de VPRO-gids worden van elke besproken film in de kantlijn kort de sterke en zonodig zwakke punten genoemd. De recensent van Uncle Boonmee prijst de ‘sterke sfeer en onvergetelijke beelden’ en merkt op dat de film sinds hij hem in Cannes zag ‘enorm gegroeid is in (zijn) herinnering’. Desondanks is er één minpuntje. De film is ‘zo goed als onbegrijpelijk, ondanks het volgens de maker glasheldere uitgangspunt’. Een redactrice van de Filmkrant zoekt een alinea lang naar juiste adjectieven om de film te beschrijven. Mystiek? Mysterieus? Hypnotisch? Bedwelmend? Het kan allemaal. Maar niet spiritueel (te sleets), contemplatief (te afstandelijk) of religieus (te vastgeroest).

Fijn dat ook anderen er niet uitkomen. Alleen de NRC-recensente stelt, zelfverzekerd als altijd, vast dat aan het einde van de film ‘alle puzzelstukjes precies op hun plaats vallen’. Sommige Parijse critici was de puzzel kennelijk boven de pet gegaan en zij bestempelden de film – nadat die in Cannes de Gouden Palm had gewonnen – als obscuur, dodelijk saai en zelfs zinloos.

Vanwaar die opwinding? Je kunt het regisseur Apichatpong Weerasethakul (maar we mogen hem ook Joe noemen) niet kwalijk nemen dat hij die prijs won en hij toonde zich even verrast als vele journalisten. Zelf had ik tijdens de voorstelling geen moment het gevoel het slachtoffer te zijn van een poseur die probeert het publiek en zichzelf ervan te overtuigen dat hij tot de Grote Kunstenaars van deze tijd behoort. Ook in de interviews die ik gelezen heb komt hij als een geïnspireerde vakman naar voren en niet als een zelfbenoemd genie. En, misschien wel het meest overtuigend, Uncle Boonmee laat zich kennen als gewoon een aardige man. Niet veel spiritueler dan de personen in zijn omgeving. Hooguit iets milder.

Getroffen door een ernstige nieraandoening trekt hij zich, met de verpleger annex kok Tong en zijn schoonzuster Jen, terug in zijn huis aan de rand van de jungle. Hij bezit daar een tamarindekwekerij, die wordt gerund door een illegale Laotiaan die andere illegalen in dienst heeft genomen. De kleinburgerlijke Jen heeft het niet zo op vreemdelingen, maar Boonmee is er de man niet naar om haar streng de les te lezen.

De eerste indicatie dat de film anders is dan wat de westerling verwacht is het moment dat tijdens het avondmaal letterlijk uit het niets Boonmee’s echtgenote materialiseert. Zij is negentien jaar geleden gestorven. Als de aanwezigen van hun verbazing zijn bekomen gaat het gesprek gewoon door, waarbij de ongenode gast uiteraard veel vragen moet beantwoorden, zoals over de hemel (‘sterk overschat’). De avond is nog jong en even later dient een tweede bezoeker zich aan. Alsof de duivel ermee speelt is dat Boonsong, de zoon van Boonmee. Die is dertien jaar terug met een camera de hort opgegaan, om aapgeesten te fotograferen. Met een van hen raakte hij bevriend, vandaar dat hij nu, volledig behaard, oogt als een gorillavariant met vuurrode ogen. Het praten is hij gelukkig nog niet verleerd.

Het moge duidelijk zijn dat Weerasethakul – zoals veel van zijn landgenoten – het concept geestverschijningen heel serieus neemt. Net zo maakt hij in zijn film, indachtig de Thaise cultuur, zich niet al te druk over het onderscheid tussen mens en overige diersoorten. Zo wordt het aftakelen van Boonmee abrupt onderbroken door een filmfragment waarin een prinses, die verdriet heeft over haar teloorgegane schoonheid, in het water seks bedrijft met een empatische meerval.

Wanneer het aardse bestaan te pijnlijk wordt maken Boonmee en zijn gevolg (inclusief zijn overleden vrouw, die moeiteloos haar plaats onder de levenden weer heeft ingenomen) een laatste tocht door de jungle. Doel van de reis is de berg waar Boonmee, in zijn woorden, voor de eerste keer geboren werd. (Ja, ook reïncarnatie speelt een belangrijke rol, wat nog niet wil zeggen dat hij daar in gelooft). Het leven gaat door, blijkt uit een flink uitgesponnen slotscène met Jen, haar jongere vriendin Boong en de – dit keer in monnikspij gehulde – verpleger Tong. Die vraagt niet alleen plompverloren of hij een douche mag nemen, maar steekt zich na afloop in T-shirt, spijkerbroek en sneakers, openlijk flirtend met het meisje.

Met dat soort politieke uitglijders maakt Weerasethakul zich, net als in zijn eerdere films Blissfully Yours (2002) en Tropical Malady (2004), niet geliefd bij de overheid. Ook een droomscène waarin ‘de mensen uit het verleden’ gemarteld worden door strijdlustige soldaten wordt de cineast niet in dank afgenomen.
Alle mystieke en politieke verwijzingen daargelaten maakt Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives vooral diepe indruk door zijn schitterende beelden. Zo mooi is film niet vaak. Alles wat je van het verhaal begrijpt is meegenomen.
 
*************************
Abonneert u op de Nieuwsbrief.


© 2010 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
Een bevlogen vakman Hans Knegtmans
0802VG Vakman
Als ik niet mijn filmstukje straks moest opsturen ging ik misschien wel naar een andere film om die morgen te recenseren. Niet dat ik de Thaise film Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives slecht vind. Of saai. Of irritant. Integendeel, Uncle Boonmee behoort tot de interessantste en visueel mooiste films van het jaar. Maar uitleggen waar het verhaal ‘eigenlijk’ over gaat, daar begin ik niet aan. Als ik daaraan denk, krijg ik benauwende herinneringen aan mijn middelbare schooltijd, wanneer de leraar Nederlands ons de beruchte vraag stelde: ‘wat bedoelt de schrijver met (…)’. Het goede antwoord was in de regel niet wat de schrijver hierover persoonlijk had gemeld, maar de interpretatie van de leraar, hetzij zelfbedacht, hetzij ergens gelezen of van een collega gehoord.

Gelukkig ben ik niet de enige. Op de filmpagina van de VPRO-gids worden van elke besproken film in de kantlijn kort de sterke en zonodig zwakke punten genoemd. De recensent van Uncle Boonmee prijst de ‘sterke sfeer en onvergetelijke beelden’ en merkt op dat de film sinds hij hem in Cannes zag ‘enorm gegroeid is in (zijn) herinnering’. Desondanks is er één minpuntje. De film is ‘zo goed als onbegrijpelijk, ondanks het volgens de maker glasheldere uitgangspunt’. Een redactrice van de Filmkrant zoekt een alinea lang naar juiste adjectieven om de film te beschrijven. Mystiek? Mysterieus? Hypnotisch? Bedwelmend? Het kan allemaal. Maar niet spiritueel (te sleets), contemplatief (te afstandelijk) of religieus (te vastgeroest).

Fijn dat ook anderen er niet uitkomen. Alleen de NRC-recensente stelt, zelfverzekerd als altijd, vast dat aan het einde van de film ‘alle puzzelstukjes precies op hun plaats vallen’. Sommige Parijse critici was de puzzel kennelijk boven de pet gegaan en zij bestempelden de film – nadat die in Cannes de Gouden Palm had gewonnen – als obscuur, dodelijk saai en zelfs zinloos.

Vanwaar die opwinding? Je kunt het regisseur Apichatpong Weerasethakul (maar we mogen hem ook Joe noemen) niet kwalijk nemen dat hij die prijs won en hij toonde zich even verrast als vele journalisten. Zelf had ik tijdens de voorstelling geen moment het gevoel het slachtoffer te zijn van een poseur die probeert het publiek en zichzelf ervan te overtuigen dat hij tot de Grote Kunstenaars van deze tijd behoort. Ook in de interviews die ik gelezen heb komt hij als een geïnspireerde vakman naar voren en niet als een zelfbenoemd genie. En, misschien wel het meest overtuigend, Uncle Boonmee laat zich kennen als gewoon een aardige man. Niet veel spiritueler dan de personen in zijn omgeving. Hooguit iets milder.

Getroffen door een ernstige nieraandoening trekt hij zich, met de verpleger annex kok Tong en zijn schoonzuster Jen, terug in zijn huis aan de rand van de jungle. Hij bezit daar een tamarindekwekerij, die wordt gerund door een illegale Laotiaan die andere illegalen in dienst heeft genomen. De kleinburgerlijke Jen heeft het niet zo op vreemdelingen, maar Boonmee is er de man niet naar om haar streng de les te lezen.

De eerste indicatie dat de film anders is dan wat de westerling verwacht is het moment dat tijdens het avondmaal letterlijk uit het niets Boonmee’s echtgenote materialiseert. Zij is negentien jaar geleden gestorven. Als de aanwezigen van hun verbazing zijn bekomen gaat het gesprek gewoon door, waarbij de ongenode gast uiteraard veel vragen moet beantwoorden, zoals over de hemel (‘sterk overschat’). De avond is nog jong en even later dient een tweede bezoeker zich aan. Alsof de duivel ermee speelt is dat Boonsong, de zoon van Boonmee. Die is dertien jaar terug met een camera de hort opgegaan, om aapgeesten te fotograferen. Met een van hen raakte hij bevriend, vandaar dat hij nu, volledig behaard, oogt als een gorillavariant met vuurrode ogen. Het praten is hij gelukkig nog niet verleerd.

Het moge duidelijk zijn dat Weerasethakul – zoals veel van zijn landgenoten – het concept geestverschijningen heel serieus neemt. Net zo maakt hij in zijn film, indachtig de Thaise cultuur, zich niet al te druk over het onderscheid tussen mens en overige diersoorten. Zo wordt het aftakelen van Boonmee abrupt onderbroken door een filmfragment waarin een prinses, die verdriet heeft over haar teloorgegane schoonheid, in het water seks bedrijft met een empatische meerval.

Wanneer het aardse bestaan te pijnlijk wordt maken Boonmee en zijn gevolg (inclusief zijn overleden vrouw, die moeiteloos haar plaats onder de levenden weer heeft ingenomen) een laatste tocht door de jungle. Doel van de reis is de berg waar Boonmee, in zijn woorden, voor de eerste keer geboren werd. (Ja, ook reïncarnatie speelt een belangrijke rol, wat nog niet wil zeggen dat hij daar in gelooft). Het leven gaat door, blijkt uit een flink uitgesponnen slotscène met Jen, haar jongere vriendin Boong en de – dit keer in monnikspij gehulde – verpleger Tong. Die vraagt niet alleen plompverloren of hij een douche mag nemen, maar steekt zich na afloop in T-shirt, spijkerbroek en sneakers, openlijk flirtend met het meisje.

Met dat soort politieke uitglijders maakt Weerasethakul zich, net als in zijn eerdere films Blissfully Yours (2002) en Tropical Malady (2004), niet geliefd bij de overheid. Ook een droomscène waarin ‘de mensen uit het verleden’ gemarteld worden door strijdlustige soldaten wordt de cineast niet in dank afgenomen.
Alle mystieke en politieke verwijzingen daargelaten maakt Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives vooral diepe indruk door zijn schitterende beelden. Zo mooi is film niet vaak. Alles wat je van het verhaal begrijpt is meegenomen.
 
*************************
Abonneert u op de Nieuwsbrief.
© 2010 Hans Knegtmans
powered by CJ2