archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
De hartritmestoornis van IFFR Hans Knegtmans

Het Rotterdamse filmfestival IFFR duidt de VPRO Tiger Award Competition al jaren liefdevol aan als ‘Het kloppende hart van het festival’. Dat is natuurlijk prima, maar ook een kloppend hart is van tijd tot tijd toe aan een check-up en dit jaar geeft het hartonderzoek reden tot zorg.

Voor wie dat niet weet: je hebt twee Tigercompetities, één voor regisseurs van lange speelfilms en een voor hun collega’s in het genre van de kortfilm. Ik heb het hier alleen over de eerste categorie. Voor de wel drie te vergeven Tijgers komen alleen regisseurs in aanmerking die in Rotterdam met hun eerste of tweede film vertegenwoordigd zijn. Dat zijn er een hoop, en de programmamakers van het festival wijzen jaarlijks rond 15 filmmakers aan die voor de prijzen in aanmerking komen. Vervolgens selecteert een jury van min of meer prominente experts – veelal filmmakers – de naar haar idee beste films en schrijft daar enkele ronkende volzinnen over, waaruit blijkt dat ze niet over één nacht ijs is gegaan.

Die selectie leidt in de praktijk vaak tot gemor bij recensenten of andere kenners. Wat was er nu zo bijzonder aan de winnende producties? Dit jaar sluit ik me aan bij de klaagzang, met de kanttekening dat ik lang niet alle kandidaten heb kunnen zien. Van de drie toekomstige winnaars paste Agua fría de mar van de Costa Ricaan Paz Fábrega niet in mijn programma. Daardoor kan ik niet beoordelen of de bekroning van dit vakantieavontuur van een jong stel dat zich over een weggelopen meisje ontfermt, terecht is.

De tweede winnaar is Alamar van de Mexicaanse regisseur Pedro Gonzalez-Rubio. Een gescheiden vader neemt zijn zoontje mee op vakantie naar het fotogenieke koraalrif Banco Chinchorro. Daar trekken ze op met opa, die er in volle tevredenheid zijn oude dag slijt. Die brengt zijn nakomelingen de kunst van het vissen bij. Van het hengelen in engere zin, via het schoonmaken, tot de consumptie. De kijker zit er met zijn neus bovenop, de personages gedragen zich als personages in een documentaire (geen wonder: de vader en zijn vijfjarige zoontje zijn dat ook in werkelijkheid), en het camerawerk toont het rif en zijn dierlijke bewoners op hun best. Een ibis die zijn natuurlijke schuwheid heeft afgeworpen vertolkt een innemende bijrol. De regisseur mag dan geen grensverleggende cinema beoefenen, hij trekt de toeschouwer wel mee in de dagelijkse belevenissen van de personages. De kijker wordt zelfs bevangen door een lichte treurigheid wanneer aan het eind het jongetje weer aan zijn Italiaanse moeder wordt overgedragen. Met de Tijger voor Gonzalez-Rio valt goed te leven.

Het is onmogelijk om voor het Thaise Mundane History, van regisseuse Anocha Suwichakornpong, hetzelfde enthousiasme op te brengen. Een verpleger neemt een baantje aan als verzorger van een rijkeluiszoon die, na een ongeluk dat niet nader wordt uitgelegd, voor de rest van zijn leven verlamd is aan zijn onderlijf. Daardoor brengt hij zijn meeste tijd in bed door, verbitterd over wat het lot hem gebracht heeft. De werkrelatie met zijn nieuwe verpleger is dan ook aanvankelijk stug en onaangenaam. Maar door diens oprechte medeleven maakt het lusteloze cynisme van de patiënt geleidelijk plaats voor een actievere levenshouding. Mundane History vertelt een eenvoudig verhaal over een voorzichtig opbloeiende vriendschap. Geen Tiger waard, zou je denken. Maar de jury kreeg, anders dan ik, ‘op continu verrassende wijze inzicht in filosofische en politieke aspecten van de Thaise samenleving’. Ook was zij onder de indruk van ‘de geslaagde wisselwerking tussen abstracte ideeën en aangrijpende realiteit in de film’. Dat zijn dure woorden voor een paar dynamische, nogal abstracte scènes die positief afsteken bij de rest. Hopelijk neemt de regisseuse in haar volgende productie nog meer afstand van de trage, hyperrealistische verteltrant die beoefenaars van de alternatieve film vaak zo ongenietbaar maakt.

Natuurlijk moet een jury roeien met de riemen die ze heeft. Je zal maar onvoorbereid La vie au ranche voor je kiezen krijgen! Binnen één minuut beseft de toeschouwer dat hij van doen heeft met het beruchte genre van de Franse Praatfilm, maar dan in de overtreffende trap. Babbel, babbel. De personages – in dit geval merendeels vrouwelijke studenten van een jaar of twintig – zijn uitsluitend geïnteresseerd in zichzelf, hun vriendjes van nu of vroeger of binnenkort, vriendinnen die wel oké zijn of een enkele keer juist niet. De film behaalde de publieksprijs op het Franse festival van Belfort, dat voornamelijk door jongeren van precies die leeftijd wordt bezocht. In 1972 maakte ten onzent Wim Schippers het televisiespel Stemmen, dat integraal uit dit soort white noise bestond. Maar dat was ook zo bedoeld, en had als kunstwerk geen diepere betekenis. Goed. Een nominatie dus voor de Fransen.

Ook My Daughter van de Maleisische regisseuse Charlotte Lay Kuen Lim heeft enkel een thema, zonder dat dit in een verhaal van enige betekenis is ingebed. De moeder van tiener Faye gooit er met de pet naar. Verkeerde vrienden, ongeremd drankgebruik. Regelmatig moet Faye op pad om het onverantwoordelijke mens op de bagagedrager van haar fiets veilig thuis te brengen. Tot aan het abrupte slot heeft de rest van de film de structuur van een gebarsten grammofoonplaat. Niets nieuws onder de zon. Een film die je hooguit ‘sympathiek’ kunt noemen, wat gelijk staat aan een artistieke doodsteek.

Hoe valt te verklaren dat, niet voor de eerste keer, het niveau van de Tigernominaties zo achterblijft bij de rest van het programma? Het programmaonderdeel Bright Future herbergt aanzienlijk meer kwaliteit, al gaan veel regisseurs in deze categorie al te lang mee om voor een Tigernominatie in aanmerking te komen. Maar de Japanse tragikomedie Lost Paradise in Tokyo en het Chinese huwelijksdrama The Annunciation behoren beide tot de beste films van het festival en hadden zonder mankeren aan de Tigercompetitie kunnen deelnemen. Geen meesterwerken, wel kleine juweeltjes die allebei een aanmoedigingsprijs verdienen. Ideale Tigerkandidaten dus. Misschien dat de programmeurs voor Bright Future voor de rest van het programma wat lossere kwaliteitscriteria hanteren dan wanneer ze hun Tigerpet hebben opgezet, en het malle idee hebben dat het nu plotseling om ‘Kunst’, ‘Verantwoord’ en ‘Diepgang’ moet gaan.

Net zoals de betalende toeschouwers heb ook ik al mijn festivalfilms een cijfer gegeven dat kon variëren van 1 tot 5. Van de 34 aldus beoordeelde films behaalden slechts acht een onvoldoende. De overige kwamen uit op een score van 3 tot 5, dat wil zeggen een waardering van ‘redelijk’ tot ‘uitstekend’. Dus drie van mijn acht onvoldoendes zijn Tigerkandidaten, terwijl die in mijn programma slechts een kleine minderheid vormden. Lijd ik aan een vooroordeel jegens het concept Tigercompetitie? Zo ja, dan ben ik niet de enige. Blijkens de resultaten van de Publieksenquête komen slechts zeven dan de vijftien Tigertitels in de top 100 van de 180 titels. De overige acht moeten het stellen met een bescheiden klassering. My Daughter, Let Each One Go His Own Way en Sun Spots krijgen zelfs een dikke onvoldoende en eindigen diep in de achterhoede. Het publiek en ik zijn het vaak hartgrondig oneens, maar dit keer zitten we op één lijn, getuige ook de keurige tiende plaats van Alamar.

Gelukkig hebben de programmeurs één zo goede daad verricht, dat men al hun hier besproken missers bijna door de vingers zou zien. In een moment van ultieme helderheid hebben ze The Temptation of St. Tony in de Tigercompetitie opgenomen. Op IFFR van 2009 baarde de Estse regisseur Veiko Õunpuu veel opzien met zijn debuutfilm Autumn Ball. Treurnis in de buitenwijken van Tallinn, waar de flatbewoners wegkwijnen in doodgelopen relaties en gefrustreerde toekomstdromen over roem, geld en een glanzende carrière. Dat leek zware kost maar nu blijkt dat het nog veel erger kan. Zwarter dan dit worden films niet gemaakt, al kun je wat dat betreft ook Michael Haneke en de Brit Simon Rumley (op het festival vertegenwoordigd met de ongeremde wraakexpeditie Red White & Blue) wel om een boodschap sturen. Een volwaardige recensie houdt u tegoed tot de film hier in de bioscopen draait, als ten minste een filmdistributeur het aandurft hem te kopen. Om even de gedachten te bepalen: een manager met een relatief goed karakter merkt dat het leven hem niet met gelijke munt terugbetaalt, zodat hem de ene ramp na de andere treft.
The Temptation of St. Tony bevat tal van onbegrijpelijke scènes en een tweede bezoek is daarom onontbeerlijk. Geeft niets, de film kan er alleen maar beter van worden. Sfeer en thematiek doen denken aan de absurdistische wendingen in het werk van Roy Andersson – Songs from the Second Floor en You, the Living – terwijl de combinatie van zwart-witfotografie en een troosteloze omgeving de films van Bela Tarr in herinnering roept. Niet dat ik de regisseur ook maar één moment verdenk van goedkope imitatie.

De jury echter had geen oog voor Õunpuu’s visuele hoogstandjes. Mogelijk heeft de assertieve Urszula Antoniak – jawel, de regisseur van het gemankeerde meesterwerk Nothing Personal – eens flink met de vuist op tafel geslagen en films erdoor gejaagd die wat meer lijken op haar eigen exercitie in traagheid en poëtische beelden. En dat nog wel onder het voorzitterschap van de Mexicaan Amat Escalante, die toch blijkens zijn film Los Bastardos wel tegen een stootje kan. We zullen de toedracht nooit weten. Voor alle duidelijkheid: IFFR 2010 deed, de totale programmering in aanmerking genomen, zeker niet onder voor vorige edities. Alleen de selectie van Tigerkandidaten moet hoognodig op de helling.
 
****************************
De Leunstoel wordt uitgegeven door:
Het Genootschap De Leunstoel.
Word lid! Ga naar: www.deleunstoel.nl/colofon.php


© 2010 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
De hartritmestoornis van IFFR Hans Knegtmans
Het Rotterdamse filmfestival IFFR duidt de VPRO Tiger Award Competition al jaren liefdevol aan als ‘Het kloppende hart van het festival’. Dat is natuurlijk prima, maar ook een kloppend hart is van tijd tot tijd toe aan een check-up en dit jaar geeft het hartonderzoek reden tot zorg.

Voor wie dat niet weet: je hebt twee Tigercompetities, één voor regisseurs van lange speelfilms en een voor hun collega’s in het genre van de kortfilm. Ik heb het hier alleen over de eerste categorie. Voor de wel drie te vergeven Tijgers komen alleen regisseurs in aanmerking die in Rotterdam met hun eerste of tweede film vertegenwoordigd zijn. Dat zijn er een hoop, en de programmamakers van het festival wijzen jaarlijks rond 15 filmmakers aan die voor de prijzen in aanmerking komen. Vervolgens selecteert een jury van min of meer prominente experts – veelal filmmakers – de naar haar idee beste films en schrijft daar enkele ronkende volzinnen over, waaruit blijkt dat ze niet over één nacht ijs is gegaan.

Die selectie leidt in de praktijk vaak tot gemor bij recensenten of andere kenners. Wat was er nu zo bijzonder aan de winnende producties? Dit jaar sluit ik me aan bij de klaagzang, met de kanttekening dat ik lang niet alle kandidaten heb kunnen zien. Van de drie toekomstige winnaars paste Agua fría de mar van de Costa Ricaan Paz Fábrega niet in mijn programma. Daardoor kan ik niet beoordelen of de bekroning van dit vakantieavontuur van een jong stel dat zich over een weggelopen meisje ontfermt, terecht is.

De tweede winnaar is Alamar van de Mexicaanse regisseur Pedro Gonzalez-Rubio. Een gescheiden vader neemt zijn zoontje mee op vakantie naar het fotogenieke koraalrif Banco Chinchorro. Daar trekken ze op met opa, die er in volle tevredenheid zijn oude dag slijt. Die brengt zijn nakomelingen de kunst van het vissen bij. Van het hengelen in engere zin, via het schoonmaken, tot de consumptie. De kijker zit er met zijn neus bovenop, de personages gedragen zich als personages in een documentaire (geen wonder: de vader en zijn vijfjarige zoontje zijn dat ook in werkelijkheid), en het camerawerk toont het rif en zijn dierlijke bewoners op hun best. Een ibis die zijn natuurlijke schuwheid heeft afgeworpen vertolkt een innemende bijrol. De regisseur mag dan geen grensverleggende cinema beoefenen, hij trekt de toeschouwer wel mee in de dagelijkse belevenissen van de personages. De kijker wordt zelfs bevangen door een lichte treurigheid wanneer aan het eind het jongetje weer aan zijn Italiaanse moeder wordt overgedragen. Met de Tijger voor Gonzalez-Rio valt goed te leven.

Het is onmogelijk om voor het Thaise Mundane History, van regisseuse Anocha Suwichakornpong, hetzelfde enthousiasme op te brengen. Een verpleger neemt een baantje aan als verzorger van een rijkeluiszoon die, na een ongeluk dat niet nader wordt uitgelegd, voor de rest van zijn leven verlamd is aan zijn onderlijf. Daardoor brengt hij zijn meeste tijd in bed door, verbitterd over wat het lot hem gebracht heeft. De werkrelatie met zijn nieuwe verpleger is dan ook aanvankelijk stug en onaangenaam. Maar door diens oprechte medeleven maakt het lusteloze cynisme van de patiënt geleidelijk plaats voor een actievere levenshouding. Mundane History vertelt een eenvoudig verhaal over een voorzichtig opbloeiende vriendschap. Geen Tiger waard, zou je denken. Maar de jury kreeg, anders dan ik, ‘op continu verrassende wijze inzicht in filosofische en politieke aspecten van de Thaise samenleving’. Ook was zij onder de indruk van ‘de geslaagde wisselwerking tussen abstracte ideeën en aangrijpende realiteit in de film’. Dat zijn dure woorden voor een paar dynamische, nogal abstracte scènes die positief afsteken bij de rest. Hopelijk neemt de regisseuse in haar volgende productie nog meer afstand van de trage, hyperrealistische verteltrant die beoefenaars van de alternatieve film vaak zo ongenietbaar maakt.

Natuurlijk moet een jury roeien met de riemen die ze heeft. Je zal maar onvoorbereid La vie au ranche voor je kiezen krijgen! Binnen één minuut beseft de toeschouwer dat hij van doen heeft met het beruchte genre van de Franse Praatfilm, maar dan in de overtreffende trap. Babbel, babbel. De personages – in dit geval merendeels vrouwelijke studenten van een jaar of twintig – zijn uitsluitend geïnteresseerd in zichzelf, hun vriendjes van nu of vroeger of binnenkort, vriendinnen die wel oké zijn of een enkele keer juist niet. De film behaalde de publieksprijs op het Franse festival van Belfort, dat voornamelijk door jongeren van precies die leeftijd wordt bezocht. In 1972 maakte ten onzent Wim Schippers het televisiespel Stemmen, dat integraal uit dit soort white noise bestond. Maar dat was ook zo bedoeld, en had als kunstwerk geen diepere betekenis. Goed. Een nominatie dus voor de Fransen.

Ook My Daughter van de Maleisische regisseuse Charlotte Lay Kuen Lim heeft enkel een thema, zonder dat dit in een verhaal van enige betekenis is ingebed. De moeder van tiener Faye gooit er met de pet naar. Verkeerde vrienden, ongeremd drankgebruik. Regelmatig moet Faye op pad om het onverantwoordelijke mens op de bagagedrager van haar fiets veilig thuis te brengen. Tot aan het abrupte slot heeft de rest van de film de structuur van een gebarsten grammofoonplaat. Niets nieuws onder de zon. Een film die je hooguit ‘sympathiek’ kunt noemen, wat gelijk staat aan een artistieke doodsteek.

Hoe valt te verklaren dat, niet voor de eerste keer, het niveau van de Tigernominaties zo achterblijft bij de rest van het programma? Het programmaonderdeel Bright Future herbergt aanzienlijk meer kwaliteit, al gaan veel regisseurs in deze categorie al te lang mee om voor een Tigernominatie in aanmerking te komen. Maar de Japanse tragikomedie Lost Paradise in Tokyo en het Chinese huwelijksdrama The Annunciation behoren beide tot de beste films van het festival en hadden zonder mankeren aan de Tigercompetitie kunnen deelnemen. Geen meesterwerken, wel kleine juweeltjes die allebei een aanmoedigingsprijs verdienen. Ideale Tigerkandidaten dus. Misschien dat de programmeurs voor Bright Future voor de rest van het programma wat lossere kwaliteitscriteria hanteren dan wanneer ze hun Tigerpet hebben opgezet, en het malle idee hebben dat het nu plotseling om ‘Kunst’, ‘Verantwoord’ en ‘Diepgang’ moet gaan.

Net zoals de betalende toeschouwers heb ook ik al mijn festivalfilms een cijfer gegeven dat kon variëren van 1 tot 5. Van de 34 aldus beoordeelde films behaalden slechts acht een onvoldoende. De overige kwamen uit op een score van 3 tot 5, dat wil zeggen een waardering van ‘redelijk’ tot ‘uitstekend’. Dus drie van mijn acht onvoldoendes zijn Tigerkandidaten, terwijl die in mijn programma slechts een kleine minderheid vormden. Lijd ik aan een vooroordeel jegens het concept Tigercompetitie? Zo ja, dan ben ik niet de enige. Blijkens de resultaten van de Publieksenquête komen slechts zeven dan de vijftien Tigertitels in de top 100 van de 180 titels. De overige acht moeten het stellen met een bescheiden klassering. My Daughter, Let Each One Go His Own Way en Sun Spots krijgen zelfs een dikke onvoldoende en eindigen diep in de achterhoede. Het publiek en ik zijn het vaak hartgrondig oneens, maar dit keer zitten we op één lijn, getuige ook de keurige tiende plaats van Alamar.

Gelukkig hebben de programmeurs één zo goede daad verricht, dat men al hun hier besproken missers bijna door de vingers zou zien. In een moment van ultieme helderheid hebben ze The Temptation of St. Tony in de Tigercompetitie opgenomen. Op IFFR van 2009 baarde de Estse regisseur Veiko Õunpuu veel opzien met zijn debuutfilm Autumn Ball. Treurnis in de buitenwijken van Tallinn, waar de flatbewoners wegkwijnen in doodgelopen relaties en gefrustreerde toekomstdromen over roem, geld en een glanzende carrière. Dat leek zware kost maar nu blijkt dat het nog veel erger kan. Zwarter dan dit worden films niet gemaakt, al kun je wat dat betreft ook Michael Haneke en de Brit Simon Rumley (op het festival vertegenwoordigd met de ongeremde wraakexpeditie Red White & Blue) wel om een boodschap sturen. Een volwaardige recensie houdt u tegoed tot de film hier in de bioscopen draait, als ten minste een filmdistributeur het aandurft hem te kopen. Om even de gedachten te bepalen: een manager met een relatief goed karakter merkt dat het leven hem niet met gelijke munt terugbetaalt, zodat hem de ene ramp na de andere treft.
The Temptation of St. Tony bevat tal van onbegrijpelijke scènes en een tweede bezoek is daarom onontbeerlijk. Geeft niets, de film kan er alleen maar beter van worden. Sfeer en thematiek doen denken aan de absurdistische wendingen in het werk van Roy Andersson – Songs from the Second Floor en You, the Living – terwijl de combinatie van zwart-witfotografie en een troosteloze omgeving de films van Bela Tarr in herinnering roept. Niet dat ik de regisseur ook maar één moment verdenk van goedkope imitatie.

De jury echter had geen oog voor Õunpuu’s visuele hoogstandjes. Mogelijk heeft de assertieve Urszula Antoniak – jawel, de regisseur van het gemankeerde meesterwerk Nothing Personal – eens flink met de vuist op tafel geslagen en films erdoor gejaagd die wat meer lijken op haar eigen exercitie in traagheid en poëtische beelden. En dat nog wel onder het voorzitterschap van de Mexicaan Amat Escalante, die toch blijkens zijn film Los Bastardos wel tegen een stootje kan. We zullen de toedracht nooit weten. Voor alle duidelijkheid: IFFR 2010 deed, de totale programmering in aanmerking genomen, zeker niet onder voor vorige edities. Alleen de selectie van Tigerkandidaten moet hoognodig op de helling.
 
****************************
De Leunstoel wordt uitgegeven door:
Het Genootschap De Leunstoel.
Word lid! Ga naar: www.deleunstoel.nl/colofon.php
© 2010 Hans Knegtmans
powered by CJ2