archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
Snel! Rotterdam is begonnen!! Hans Knegtmans

0707VG IFFR 2010
Het grootste Nederlandse filmfestival IFFR, versie 2010, startte op donderdag 28 januari. Officieel zelfs al één dag eerder, maar toen werd slechts de (tegenvallende) openingsfilm Paju uit Zuid-Korea vertoond. In veel huisgezinnen echter begon de festivalkoorts reeds lang daarvoor. In de filmhuizen lag, om de stemming erin te brengen, sinds een aantal weken een festivalblaadje met een – tamelijk willekeurige – selectie uit het enorme aanbod. Met hetzelfde doel stuurde de festivalleiding de speelfilm Los viages del viento (over een ‘vervloekte accordeon’) de filmhuizen langs. Ook die previewvoorstelling is een jaarlijkse hit: festivalbezoekers die hun agenda niet goed bijhouden worden aan het evenement herinnerd, en de niet-bezoekers kunnen gedurende twee uur de typerende IFFR-sfeer opsnuiven.

Maar het serieuze werk begint op de donderdag vóór het spektakel van start gaat. Gelijktijdig met het in de bus ploffen van de volumineuze bijlage van De Volkskrant – sinds jaar en dag het officiële programmablad – wordt de festivalsite geactiveerd. Dit is voor de bezoekers het startsein om hun programma voor deze editie samen te stellen. Ze hebben daarvoor ruim een dag. Op vrijdagavond om 20.00 uur moeten ze achter de computer zitten om online hun kaarten te bestellen. Die avond zijn filmliefhebbers met een vaste partner ontegenzeglijk in het voordeel. De één mailt en bestelt, de ander past ingeval van uitverkochte voorstellingen razendsnel het programma aan. De geharde festivalplanner moet beschikken over het logistieke overzicht dat vroeger – voor de uitvinding van specialistische computerprogramma’s – slechts werd aangetroffen bij het hoofd der school of een van zijn collega’s, wanneer hij (toen was dat nog een hij) het lesrooster samenstelde.

Ook dit jaar hebben de festivalgangers niet stilgezeten. Blijkens een persbericht van zondagmiddag 24 januari, 16.00 uur, waren op dat moment al 102.000 kaartjes gereserveerd. Eenderde van het beschikbare aantal. De meeste belangstelling ging uit naar de nieuwe films van regisseurs Werner Herzog (bekend van Encounters at the End of the World, Rescue Dawn en Grizzly Man), Wes Anderson (Rushmore, The Life Aquatic with Steve Zissou, The Darjeeling Limited), Claire Denis (35 rhums, Beau travail) en Francis Ford Coppola (Apocalyse Now, The Godfather-trilogie).

Dit is een klassiek probleem voor de minder alerte filmliefhebber. Festivalbezoekers benutten het evenement vooral om previews te kunnen zien van Grote Namen uit de business. Daardoor zijn de films van regisseurs als Herzog ( wel twee keer vertegenwoordigd, met Bad Lieutenant en My Son, My Son, What Have Ye done?), Anderson (The Fantastic Mr. Fox), Denis (White Material), Coppola (Tetro), François Ozon (Le refuge) en Todd Solondz (Life during Wartime) in een vloek en een zucht uitverkocht, ongeacht hoe ze zijn ontvangen door de internationale pers. Ik wil overigens de bezoekers die op die manier hun programma selecteren, niet afdoen als mooi weer- filmfans. Soms worden de films pas na vele maanden landelijk uitgebracht, en je kunt het niemand kwalijk nemen als hij daar niet op wil wachten.

Wat dan te doen, als de meeste hits al voor aanvang volgeboekt zijn? Globaal kun je kiezen uit twee uitersten, of een mengvorm daarvan. Een conservatieve strategie is, uitsluitend films te selecteren die door distributeurs als Filmmuseum en Cinemien al voor aanvang interessant genoeg bevonden zijn, om na het festival in filmtheaters uit te brengen. In de Volkskrant-bijlage zijn die te herkennen aan de toevoeging n.o., wat betekent dat de film wordt vertoond met Nederlandse of Vlaamse ondertitels. (Veruit de meeste festivalfilms die na afloop met stille trom afdruipen naar het land van herkomst worden in het Engels ondertiteld, al is dat soms niet meer dan de huisvlijt van een plaatselijke student die de taal nauwelijks meester is.) Zo gaan Un prophète, A Single Man, My Queen Karo, J’ai tué ma0707VG Filmhuis mère, Visage, Eyes Wide Open en Lourdes uiterlijk anderhalve maand na het festival in première. Dat is een hele uitkomst voor, bijvoorbeeld, inwoners van de plaats Schijndel. Die zijn aangewezen op de programmering van de lokale filmclub in het City Theater. Ik durf er wat onder te verwedden dat voor het eind van 2010 hooguit één van deze titels in City te zien zal zijn. En Schijndelaars zijn natuurlijk niet de enigen die in dit schuitje zitten.

Heel anders ligt het voor inwoners van de Randstad. Vooral filmliefhebbers in de regio Amsterdam hebben de arthousefilms voor het uitzoeken. Daardoor kunnen zij zich permitteren, alle films die ooit de bioscoop zullen bereiken op te sparen tot hij ergens in de buurt draait, en zich op IFFR te beperken tot producties van filmmakers uit de derde wereld van wie zij nog nooit gehoord hebben. Die strategie verruimt ontegenzeggelijk de filmische blik. Het arthouse is namelijk niet meer wat het geweest is. Niet voor niets wordt de categorie van de betere bioscoop in vakkringen al jaren als ‘filmtheater’ aangeduid. Een gewone bioscoop met snacks en al, maar dan toegesneden op nette mensen, en niet de lawaaierige jongelui van Pathé.

Die nette mensen kijken naar nette films. Wie de programmering van filmhuizen of filmtheaters volgt, ziet dat het aantal weken dat een film het in het theater uithoudt, slechts zelden gepaard gaat met filmische kwaliteiten als gedurfd, vernieuwend, eigenzinnig en uitdagend. De films Night Train, The Most Distant Course en Das Herz is ein Dunkler Wald werden in 2009 door het Filmmuseum in Amsterdam zelfs uitgebracht als minifestival van films die verder bijna niemand wilde vertonen. Het is niet moeilijk te raden waarom ze niet geliefd waren bij programmeurs van arthouses: te ontoegankelijk, of te zwartgallig, of niet aaibaar genoeg. In Cinecenter (Amsterdam) of Filmhuis Den Haag zou de clientèle er geen bal aan vinden.

Maar filmdistributeurs kennen wel degelijk hun vak. Ze mogen dan de nodige films links laten liggen om artistiek oneigenlijke redenen (‘te dwars’), minstens zo vaak is de afwijzing louter gebaseerd op evident gebrek aan kwaliteit. Ik heb in de loop van decennia IFFR-bezoek vele tientallen films gezien waarvan me ik op zijn best niets meer herinner of waaraan ik in het ergste geval zeer onaangename herinneringen bewaar, zelfs als me van de inhoud weinig is bijgebleven.

Mijn IFFR-strategie laat zich het beste omschrijven als 'conservatief avontuurlijk' of, minder flatteus, als schipperen tussen vertrouwd en nieuw. De meeste bioscoop-avantpremières laat ik links liggen, maar hetzelfde geldt voor veel genomineerden voor een Tiger Award (altijd de eerste of tweede film van een regisseur), wanneer ik op grond van de beschrijving een te keurige of zelfs wezenloze film verwacht. Mijn favoriete categorie bestaat uit producties van relatief onbekende regisseurs met wie ik in het verleden uitstekende ervaringen heb opgedaan. Concreet zijn dat in 2010:
Air Doll, van Goda Yoshiie (Japan, eerdere films Still Walking en Nobody Knows), At the End of Daybreak van Ho Yuhang (Maleisië, eerdere films Sanctuary en Rain Dogs), Content van filmer en romanschrijver Chris Petit (Groot-Brittannië, eerdere films Radio On en Unrequited Love), Mother van Bong Joon-ho (Zuid-Korea, eerdere films The Host en Memories of Murder), Red, White and Blue van Simon Rumley (Groot Brittannië, eerdere film The Living and the Dead) en The Temptation of St. Tony van Veiko Õunpuu (Estland, eerdere film Autumn Ball).

Ik wens iedereen veel sterkte bij zijn festivalkeuze. Volgende keer een terugblik.
 
************************
Abonneert u op de Nieuwsbrief.


© 2010 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
Snel! Rotterdam is begonnen!! Hans Knegtmans
0707VG IFFR 2010
Het grootste Nederlandse filmfestival IFFR, versie 2010, startte op donderdag 28 januari. Officieel zelfs al één dag eerder, maar toen werd slechts de (tegenvallende) openingsfilm Paju uit Zuid-Korea vertoond. In veel huisgezinnen echter begon de festivalkoorts reeds lang daarvoor. In de filmhuizen lag, om de stemming erin te brengen, sinds een aantal weken een festivalblaadje met een – tamelijk willekeurige – selectie uit het enorme aanbod. Met hetzelfde doel stuurde de festivalleiding de speelfilm Los viages del viento (over een ‘vervloekte accordeon’) de filmhuizen langs. Ook die previewvoorstelling is een jaarlijkse hit: festivalbezoekers die hun agenda niet goed bijhouden worden aan het evenement herinnerd, en de niet-bezoekers kunnen gedurende twee uur de typerende IFFR-sfeer opsnuiven.

Maar het serieuze werk begint op de donderdag vóór het spektakel van start gaat. Gelijktijdig met het in de bus ploffen van de volumineuze bijlage van De Volkskrant – sinds jaar en dag het officiële programmablad – wordt de festivalsite geactiveerd. Dit is voor de bezoekers het startsein om hun programma voor deze editie samen te stellen. Ze hebben daarvoor ruim een dag. Op vrijdagavond om 20.00 uur moeten ze achter de computer zitten om online hun kaarten te bestellen. Die avond zijn filmliefhebbers met een vaste partner ontegenzeglijk in het voordeel. De één mailt en bestelt, de ander past ingeval van uitverkochte voorstellingen razendsnel het programma aan. De geharde festivalplanner moet beschikken over het logistieke overzicht dat vroeger – voor de uitvinding van specialistische computerprogramma’s – slechts werd aangetroffen bij het hoofd der school of een van zijn collega’s, wanneer hij (toen was dat nog een hij) het lesrooster samenstelde.

Ook dit jaar hebben de festivalgangers niet stilgezeten. Blijkens een persbericht van zondagmiddag 24 januari, 16.00 uur, waren op dat moment al 102.000 kaartjes gereserveerd. Eenderde van het beschikbare aantal. De meeste belangstelling ging uit naar de nieuwe films van regisseurs Werner Herzog (bekend van Encounters at the End of the World, Rescue Dawn en Grizzly Man), Wes Anderson (Rushmore, The Life Aquatic with Steve Zissou, The Darjeeling Limited), Claire Denis (35 rhums, Beau travail) en Francis Ford Coppola (Apocalyse Now, The Godfather-trilogie).

Dit is een klassiek probleem voor de minder alerte filmliefhebber. Festivalbezoekers benutten het evenement vooral om previews te kunnen zien van Grote Namen uit de business. Daardoor zijn de films van regisseurs als Herzog ( wel twee keer vertegenwoordigd, met Bad Lieutenant en My Son, My Son, What Have Ye done?), Anderson (The Fantastic Mr. Fox), Denis (White Material), Coppola (Tetro), François Ozon (Le refuge) en Todd Solondz (Life during Wartime) in een vloek en een zucht uitverkocht, ongeacht hoe ze zijn ontvangen door de internationale pers. Ik wil overigens de bezoekers die op die manier hun programma selecteren, niet afdoen als mooi weer- filmfans. Soms worden de films pas na vele maanden landelijk uitgebracht, en je kunt het niemand kwalijk nemen als hij daar niet op wil wachten.

Wat dan te doen, als de meeste hits al voor aanvang volgeboekt zijn? Globaal kun je kiezen uit twee uitersten, of een mengvorm daarvan. Een conservatieve strategie is, uitsluitend films te selecteren die door distributeurs als Filmmuseum en Cinemien al voor aanvang interessant genoeg bevonden zijn, om na het festival in filmtheaters uit te brengen. In de Volkskrant-bijlage zijn die te herkennen aan de toevoeging n.o., wat betekent dat de film wordt vertoond met Nederlandse of Vlaamse ondertitels. (Veruit de meeste festivalfilms die na afloop met stille trom afdruipen naar het land van herkomst worden in het Engels ondertiteld, al is dat soms niet meer dan de huisvlijt van een plaatselijke student die de taal nauwelijks meester is.) Zo gaan Un prophète, A Single Man, My Queen Karo, J’ai tué ma0707VG Filmhuis mère, Visage, Eyes Wide Open en Lourdes uiterlijk anderhalve maand na het festival in première. Dat is een hele uitkomst voor, bijvoorbeeld, inwoners van de plaats Schijndel. Die zijn aangewezen op de programmering van de lokale filmclub in het City Theater. Ik durf er wat onder te verwedden dat voor het eind van 2010 hooguit één van deze titels in City te zien zal zijn. En Schijndelaars zijn natuurlijk niet de enigen die in dit schuitje zitten.

Heel anders ligt het voor inwoners van de Randstad. Vooral filmliefhebbers in de regio Amsterdam hebben de arthousefilms voor het uitzoeken. Daardoor kunnen zij zich permitteren, alle films die ooit de bioscoop zullen bereiken op te sparen tot hij ergens in de buurt draait, en zich op IFFR te beperken tot producties van filmmakers uit de derde wereld van wie zij nog nooit gehoord hebben. Die strategie verruimt ontegenzeggelijk de filmische blik. Het arthouse is namelijk niet meer wat het geweest is. Niet voor niets wordt de categorie van de betere bioscoop in vakkringen al jaren als ‘filmtheater’ aangeduid. Een gewone bioscoop met snacks en al, maar dan toegesneden op nette mensen, en niet de lawaaierige jongelui van Pathé.

Die nette mensen kijken naar nette films. Wie de programmering van filmhuizen of filmtheaters volgt, ziet dat het aantal weken dat een film het in het theater uithoudt, slechts zelden gepaard gaat met filmische kwaliteiten als gedurfd, vernieuwend, eigenzinnig en uitdagend. De films Night Train, The Most Distant Course en Das Herz is ein Dunkler Wald werden in 2009 door het Filmmuseum in Amsterdam zelfs uitgebracht als minifestival van films die verder bijna niemand wilde vertonen. Het is niet moeilijk te raden waarom ze niet geliefd waren bij programmeurs van arthouses: te ontoegankelijk, of te zwartgallig, of niet aaibaar genoeg. In Cinecenter (Amsterdam) of Filmhuis Den Haag zou de clientèle er geen bal aan vinden.

Maar filmdistributeurs kennen wel degelijk hun vak. Ze mogen dan de nodige films links laten liggen om artistiek oneigenlijke redenen (‘te dwars’), minstens zo vaak is de afwijzing louter gebaseerd op evident gebrek aan kwaliteit. Ik heb in de loop van decennia IFFR-bezoek vele tientallen films gezien waarvan me ik op zijn best niets meer herinner of waaraan ik in het ergste geval zeer onaangename herinneringen bewaar, zelfs als me van de inhoud weinig is bijgebleven.

Mijn IFFR-strategie laat zich het beste omschrijven als 'conservatief avontuurlijk' of, minder flatteus, als schipperen tussen vertrouwd en nieuw. De meeste bioscoop-avantpremières laat ik links liggen, maar hetzelfde geldt voor veel genomineerden voor een Tiger Award (altijd de eerste of tweede film van een regisseur), wanneer ik op grond van de beschrijving een te keurige of zelfs wezenloze film verwacht. Mijn favoriete categorie bestaat uit producties van relatief onbekende regisseurs met wie ik in het verleden uitstekende ervaringen heb opgedaan. Concreet zijn dat in 2010:
Air Doll, van Goda Yoshiie (Japan, eerdere films Still Walking en Nobody Knows), At the End of Daybreak van Ho Yuhang (Maleisië, eerdere films Sanctuary en Rain Dogs), Content van filmer en romanschrijver Chris Petit (Groot-Brittannië, eerdere films Radio On en Unrequited Love), Mother van Bong Joon-ho (Zuid-Korea, eerdere films The Host en Memories of Murder), Red, White and Blue van Simon Rumley (Groot Brittannië, eerdere film The Living and the Dead) en The Temptation of St. Tony van Veiko Õunpuu (Estland, eerdere film Autumn Ball).

Ik wens iedereen veel sterkte bij zijn festivalkeuze. Volgende keer een terugblik.
 
************************
Abonneert u op de Nieuwsbrief.
© 2010 Hans Knegtmans
powered by CJ2