archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
Lake Tahoe en Vlissingen: werelden apart Hans Knegtmans

Lake Tahoe van de Mexicaanse regisseur Fernando Eimbcke is zo’n film die aanvankelijk niemand opmerkt als hij in een bescheiden aantal kopieën op kousenvoeten de arthousezaaltjes insluipt. Ik associeerde de titel met rijke patsers op vakantie bij Lake Tahoe (waar dat dan ook precies moge liggen), maar dat zou wel niet kloppen. Nu ja, dacht ik, die film loopt niet weg, en morgen is er weer een dag. Later zag ik per ongeluk dat een bonafide recensent hem uiterst lovend besprak. En op internet bleek zelfs dat hij een paar interessante prijzen had gewonnen. In Berlijn bijvoorbeeld greep hij net naast de Gouden Beer, maar wel behaalde Eimbcke daar de FIPRESCI-prijs voor de beste film in competitie en in één moeite door de Alfred Bauerprijs voor de beste vernieuwende film. Eimbcke? Die naam kende ik. Op IFFR Rotterdam zag ik in 2005 zijn debuut Temporada de Patos (Duck Seaso, luidt de handelstitel). Twee jongens slaan op een suffe zondagmiddag de tijd stuk, wanneer moeder een paar uur de deur uit is. Leuke, inventieve film, die op tal van alternatieve festivals in de prijzen viel. En die Eimbcke zou nu een heuse festivalklapper hebben gemaakt? Dan moest ik me maar over die rare titel heen zetten!

Terecht. Pas in de ontroerende slotscène wordt onthuld waarom de film Lake Tahoe heet. En dan kan het plakboek van het kleine broertje van hoofdpersoon Juan definitief worden dichtgeslagen. Het verhaal heeft het waardige slot gekregen dat het verdient. Niet dat de kijker meteen de thematiek van de film begrijpt. Sterker nog, geruime tijd lijkt het erop dat de film eigenlijk nergens over gaat. Juan (Diego Cataño) rijdt de Nissan van zijn vader tegen een boom, net buiten de bebouwde kom van het nietige stadje Progresso, gesitueerd in het zuidelijkste puntje van Mexico. Dramatisch is de botsing allerminst en Juan loopt zelfs geen schrammetje op. Maar het voertuig weigert te starten, zodat de technisch niet onderlegde Juan op zoek gaat naar een garage. Die zijn er gelukkig volop. De eerste is van de oude mecanicien Don Heber. Deze diagnosticeert het mankement als een defecte ‘stekker van de stroomverdeler’ (als ik de ondertiteling moet geloven). Het juiste model heeft hij niet op voorraad. (Dat zou ook een wonder zijn, gegeven de Malle Pietje-achtige chaos in zijn werkplaats.) Wel biedt hij Juan een graanontbijt aan. Geen honger? Dan mag de hond Sica het opeten. Zo’n film is het dus: we zien in real time hoe een boxer een kom leeg slobbert.

De film sukkelt ogenschijnlijk onbekommerd voort en de Odyssee van de hoofdpersoon voert hem naar een winkel met auto-onderdelen die gedreven wordt door een ongehuwde kindmoeder (Daniela Valentine), geassisteerd door de kungfuliefhebber David (Juan Carlos Lara), die – aanvankelijk tevergeefs – probeert Juan te interesseren voor de vertoning van Bruce Lee’s film Enter the Dragon in het plaatselijke theater. Pas wanneer de hoofdpersoon even zijn ouderlijk huis aandoet voor geld om de reparatie te bekostigen en zijn moeder zich in de badkamer opgesloten blijkt te hebben, rijst het vermoeden dat Lake Tahoe iets meer wil vertellen dan het zoveelste feelgood-verhaal over het dagelijkse leven in een ingeslapen plaatsje. Die indruk wordt ruimschoots bevestigd door de verhaalontwikkeling.

Stilistisch doet de film vooral denken aan het, ook al zo innemende, Stranger than Paradise van Jin Jarmusch. Korte fragmenten, steeds afgewisseld door een zwart beeld ertussen. Spaarzame dialogen van personages die elkaar nog maar net kennen. En een hoofdfiguur die we volgen tijdens – om voor één keer een naar cliché te gebruiken – de eerste dag van de rest van zijn leven.

De bezoekers van de tiende editie van Film By the Sea in Vlissingen liepen minder warm voor dit staaltje van filmische vernieuwing. In de festivalenquête behaalde de film een gemiddelde score van 3,18 (op een vijfpuntsschaal), waarmee hij op een roemloze vijftigste plaats (van de 53 beoordeelde films) eindigde. Dit resultaat is niet moeilijk te duiden. Vier festivalfilms waren eerder op IFFR (Rotterdam) te zien geweest, waar ze door het publiek op eenzelfde schaal waren beoordeeld. Alle vier deden ze het in Vlissingen minder goed dan in Rotterdam. Voor Go with Peace Jamil was dit verschil aanzienlijk (4,17 versus 3,60), maar dit was nog kinderspel vergeleken bij de beoordelingen van het Duitse melodrama Das Herz ist ein dunkler Wald. In Rotterdam behaalde die film een zeer ruime voldoende (3,81), in Vlissingen echter eindigde hij met afstand op de allerlaatste plaats met een vernietigende score van 2,63. Hoe kan dit?

Om de negatieve beoordelingen te begrijpen is het verhelderend te bezien voor welke films het Zeeuwse publiek wél warm liep. Bovenaan eindigde de documentaire Young @ Heart. Een koor van zingende senioren (gemiddeld bijna 80 jaar oud) die geen genoegen nemen met een plaatsje achter de spreekwoordelijke geraniums, studeert en treedt op met een repertoire van rocksongs. Politiek correct apies kijken en soms een traan wegpinken, dat is de formule. Op een neuslengte afstand volgt War Child, een documentaire over de Soedanese kindsoldaat Emmanuel Jal, die later in Afrika uitgroeide tot hiphop superster. Zelfde idee: een Belangrijke en Mooie film. Ook zeer hooggewaardeerd: Boy A. Jack, die een moord gepleegd heeft, komt als vierentwintigjarige voorwaardelijk vrij. Gelukkig heeft hij een hart van goud, net als zijn reclasseringsambtenaar. Hij krijgt werk, een aardige collega en een schat van een vriendin. Tot een jaloerse etterbak zijn verleden openbaar maakt. Gebroken verlaat het publiek de zaal, en scheurt met zijn laatste krachten in de enquêtestrook een vier of vijf in. Om op FbtS in de top van de enquête te eindigen, moet een film empathie opwekken en een begrijpelijk verhaal met een hoog EO-gehalte vertellen dat het drama breed uitmeet.

Das Herz ist ein dunkler Wald voert wel een hoofdpersoon op die het moeilijk heeft (haar man blijkt een dubbelleven te leiden), maar ze verwerkt die ontdekking op een manier die volgens gangbare normen onverantwoordelijk en zelfs misdadig genoemd kan worden. De regisseuse legt niet uit waarom ze haar verdriet en boosheid juist zo uit en niet anders. De titel is niet toevallig zo gekozen: mensen die aan extreme emoties ten prooi zijn doen vreemde dingen. En als ze al niet kierewiet worden, dan nog is hun gedrag maatschappelijk not done. Zoals van de Ierse Brenda, die in de film Eden na een eindeloze, van alcohol doordrenkte nacht, de overspelige aanvechtingen van haar man niet langer kan aanzien en seks heeft met een onbekende, alleen maar omdat die haar kennelijk wél aantrekkelijk vindt. Een negenenveertigste plaats voor Eden, en een karige waardering van 3,27.

De meeste bezoekers van FbtS willen gezellig een avondje uit en ze zitten niet te wachten op kritische, ‘moeilijke’ films, die in Rotterdam gretig aftrek vinden. In verhouding tot het geringe aanbod van filmpremières biedt het festival een scala aan vermaak dat bij een eigentijds evenement hoort. Zo kan men naar hartenlust de beroemdheden – nu ja, mensen die je wel eens op de TV ziet – fotograferen die de rode loper betreden: de cast en de crew van de films Blindspot (Micky Hoogendijk, Hugo Metsers, Ad Bol), Blind Date (Stanley Tucci, Thijs Römer, Georgina Verbaan, Katja Schuurman) en Le silence de Lorna (Arta Dobroshi en Luc Dardenne). De organisatie had zelfs scenarioschrijfster Sharman Macdonald (de moeder van de geliefde actrice Keira Knightley) weten te strikken. In het Deltatheater (een gigantische feesttent) trad bijna elke avond een band op waar vooral jongere luisteraars waarschijnlijk mee weglopen: Quinteto Tango Extremo, Wouter Hamel, Alain Clark en DJ/drummer Edwin Evers. En in het streven van festivaldirecteur Leo Hannewijk om meer aandacht te schenken aan literatuur lazen Kluun, Saskia Noort en Christophe Evers voor uit eigen werk, ‘op een swingende en spannende manier’. Zelfs wie een uitgesproken hekel heeft aan films hoefde zich op het festival dus niet te vervelen.

Ook dit jaar was het onderscheidende festivalonderdeel de Film en Literatuur Competitie, waarbij een jury – de ene helft schrijver, de andere helft afkomstig uit de filmwereld – uit een tiental boekverfilmingen de beste film moet kiezen. In het algemeen knipperen de juryleden niet met hun ogen bij het vervullen van die opdracht. Dat is opvallend als men bedenkt dat ze de onmenselijke taak hebben, de beste film te selecteren zonder zich daarbij af te mogen vragen in hoeverre de verfilming recht doet aan de essentie – verhaal, sfeer – van het boek. Ik heb in de loop der jaren uiteraard tal van beroemde boekverfilmingen gezien, zoals The Big Sleep (Raymond Chandler), The Maltese Falcon (Dashiel Hammett), De avonden (Gerard Reve) en Catch 22 (Joseph Heller). Bij al die verfilmingen was het eerste waar ik op lette in hoeverre de film het boek dat ik zo bewonderde ‘heel liet’. Weglaten van dat criterium is godsonmogelijk, en de tot vervelens toe gehoorde uitspraak dat film en boek onvergelijkbare grootheden zijn (dûh), mag dan op het eerste gezicht een zinvolle bedenking lijken, bij de verkiezing van beste boekverfilming dwingt hij de beoordelaar tot ondoenlijke (en daarenboven onzinnige) hersengymnastiek. Hoe kan ik de film De avonden beoordelen, zonder erop te letten of de moeder van hoofdpersoon Frits van Egters haar stopwoordje Hoei Boei wel in het juiste tempo en met de correcte intonatie uitspreekt?
In een manmoedige poging deze jaarlijkse exercitie enige richting te geven, stelden twee juryleden – de schrijver Gerbrand Bakker en de actrice Thekla Reuten – voor dat in de toekomst de jury de boeken in kwestie zou moeten lezen en vervolgens de film zou zien, en bij de beoordeling van de film expliciet de mate zou meewegen waarin de film recht doet aan het boek. Om redenen echter die mij niet duidelijk werden was de rest van de jury het daar niet mee eens. Evenals artistiek directeur Leo Hannewijk, en dat is de man die in Vlissingen de lakens uitdeelt.

Welbeschouwd bestaat FbtS – wat het filmprogramma betreft – uit een stuk of vijftig meer of minder geslaagde films zonder een bindend thema, die (anders dan bijvoorbeeld het aanbod van IFFR) voor het overgrote deel binnen enkele maanden in het reguliere bioscoopcircuit te zien zullen zijn. Voorpremières dus. Sneak previews zonder sneak. Filmliefhebbers die niet op reisafstand van het festival wonen, besparen veel tijd en geld door in hun woonplaats rustig de premières van FbtS af te wachten. Zo leuk is het in Vlissingen nu ook weer niet.
 
**********************************
Adverteren op De Leunstoel kost bijna niks.


© 2008 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
Lake Tahoe en Vlissingen: werelden apart Hans Knegtmans
Lake Tahoe van de Mexicaanse regisseur Fernando Eimbcke is zo’n film die aanvankelijk niemand opmerkt als hij in een bescheiden aantal kopieën op kousenvoeten de arthousezaaltjes insluipt. Ik associeerde de titel met rijke patsers op vakantie bij Lake Tahoe (waar dat dan ook precies moge liggen), maar dat zou wel niet kloppen. Nu ja, dacht ik, die film loopt niet weg, en morgen is er weer een dag. Later zag ik per ongeluk dat een bonafide recensent hem uiterst lovend besprak. En op internet bleek zelfs dat hij een paar interessante prijzen had gewonnen. In Berlijn bijvoorbeeld greep hij net naast de Gouden Beer, maar wel behaalde Eimbcke daar de FIPRESCI-prijs voor de beste film in competitie en in één moeite door de Alfred Bauerprijs voor de beste vernieuwende film. Eimbcke? Die naam kende ik. Op IFFR Rotterdam zag ik in 2005 zijn debuut Temporada de Patos (Duck Seaso, luidt de handelstitel). Twee jongens slaan op een suffe zondagmiddag de tijd stuk, wanneer moeder een paar uur de deur uit is. Leuke, inventieve film, die op tal van alternatieve festivals in de prijzen viel. En die Eimbcke zou nu een heuse festivalklapper hebben gemaakt? Dan moest ik me maar over die rare titel heen zetten!

Terecht. Pas in de ontroerende slotscène wordt onthuld waarom de film Lake Tahoe heet. En dan kan het plakboek van het kleine broertje van hoofdpersoon Juan definitief worden dichtgeslagen. Het verhaal heeft het waardige slot gekregen dat het verdient. Niet dat de kijker meteen de thematiek van de film begrijpt. Sterker nog, geruime tijd lijkt het erop dat de film eigenlijk nergens over gaat. Juan (Diego Cataño) rijdt de Nissan van zijn vader tegen een boom, net buiten de bebouwde kom van het nietige stadje Progresso, gesitueerd in het zuidelijkste puntje van Mexico. Dramatisch is de botsing allerminst en Juan loopt zelfs geen schrammetje op. Maar het voertuig weigert te starten, zodat de technisch niet onderlegde Juan op zoek gaat naar een garage. Die zijn er gelukkig volop. De eerste is van de oude mecanicien Don Heber. Deze diagnosticeert het mankement als een defecte ‘stekker van de stroomverdeler’ (als ik de ondertiteling moet geloven). Het juiste model heeft hij niet op voorraad. (Dat zou ook een wonder zijn, gegeven de Malle Pietje-achtige chaos in zijn werkplaats.) Wel biedt hij Juan een graanontbijt aan. Geen honger? Dan mag de hond Sica het opeten. Zo’n film is het dus: we zien in real time hoe een boxer een kom leeg slobbert.

De film sukkelt ogenschijnlijk onbekommerd voort en de Odyssee van de hoofdpersoon voert hem naar een winkel met auto-onderdelen die gedreven wordt door een ongehuwde kindmoeder (Daniela Valentine), geassisteerd door de kungfuliefhebber David (Juan Carlos Lara), die – aanvankelijk tevergeefs – probeert Juan te interesseren voor de vertoning van Bruce Lee’s film Enter the Dragon in het plaatselijke theater. Pas wanneer de hoofdpersoon even zijn ouderlijk huis aandoet voor geld om de reparatie te bekostigen en zijn moeder zich in de badkamer opgesloten blijkt te hebben, rijst het vermoeden dat Lake Tahoe iets meer wil vertellen dan het zoveelste feelgood-verhaal over het dagelijkse leven in een ingeslapen plaatsje. Die indruk wordt ruimschoots bevestigd door de verhaalontwikkeling.

Stilistisch doet de film vooral denken aan het, ook al zo innemende, Stranger than Paradise van Jin Jarmusch. Korte fragmenten, steeds afgewisseld door een zwart beeld ertussen. Spaarzame dialogen van personages die elkaar nog maar net kennen. En een hoofdfiguur die we volgen tijdens – om voor één keer een naar cliché te gebruiken – de eerste dag van de rest van zijn leven.

De bezoekers van de tiende editie van Film By the Sea in Vlissingen liepen minder warm voor dit staaltje van filmische vernieuwing. In de festivalenquête behaalde de film een gemiddelde score van 3,18 (op een vijfpuntsschaal), waarmee hij op een roemloze vijftigste plaats (van de 53 beoordeelde films) eindigde. Dit resultaat is niet moeilijk te duiden. Vier festivalfilms waren eerder op IFFR (Rotterdam) te zien geweest, waar ze door het publiek op eenzelfde schaal waren beoordeeld. Alle vier deden ze het in Vlissingen minder goed dan in Rotterdam. Voor Go with Peace Jamil was dit verschil aanzienlijk (4,17 versus 3,60), maar dit was nog kinderspel vergeleken bij de beoordelingen van het Duitse melodrama Das Herz ist ein dunkler Wald. In Rotterdam behaalde die film een zeer ruime voldoende (3,81), in Vlissingen echter eindigde hij met afstand op de allerlaatste plaats met een vernietigende score van 2,63. Hoe kan dit?

Om de negatieve beoordelingen te begrijpen is het verhelderend te bezien voor welke films het Zeeuwse publiek wél warm liep. Bovenaan eindigde de documentaire Young @ Heart. Een koor van zingende senioren (gemiddeld bijna 80 jaar oud) die geen genoegen nemen met een plaatsje achter de spreekwoordelijke geraniums, studeert en treedt op met een repertoire van rocksongs. Politiek correct apies kijken en soms een traan wegpinken, dat is de formule. Op een neuslengte afstand volgt War Child, een documentaire over de Soedanese kindsoldaat Emmanuel Jal, die later in Afrika uitgroeide tot hiphop superster. Zelfde idee: een Belangrijke en Mooie film. Ook zeer hooggewaardeerd: Boy A. Jack, die een moord gepleegd heeft, komt als vierentwintigjarige voorwaardelijk vrij. Gelukkig heeft hij een hart van goud, net als zijn reclasseringsambtenaar. Hij krijgt werk, een aardige collega en een schat van een vriendin. Tot een jaloerse etterbak zijn verleden openbaar maakt. Gebroken verlaat het publiek de zaal, en scheurt met zijn laatste krachten in de enquêtestrook een vier of vijf in. Om op FbtS in de top van de enquête te eindigen, moet een film empathie opwekken en een begrijpelijk verhaal met een hoog EO-gehalte vertellen dat het drama breed uitmeet.

Das Herz ist ein dunkler Wald voert wel een hoofdpersoon op die het moeilijk heeft (haar man blijkt een dubbelleven te leiden), maar ze verwerkt die ontdekking op een manier die volgens gangbare normen onverantwoordelijk en zelfs misdadig genoemd kan worden. De regisseuse legt niet uit waarom ze haar verdriet en boosheid juist zo uit en niet anders. De titel is niet toevallig zo gekozen: mensen die aan extreme emoties ten prooi zijn doen vreemde dingen. En als ze al niet kierewiet worden, dan nog is hun gedrag maatschappelijk not done. Zoals van de Ierse Brenda, die in de film Eden na een eindeloze, van alcohol doordrenkte nacht, de overspelige aanvechtingen van haar man niet langer kan aanzien en seks heeft met een onbekende, alleen maar omdat die haar kennelijk wél aantrekkelijk vindt. Een negenenveertigste plaats voor Eden, en een karige waardering van 3,27.

De meeste bezoekers van FbtS willen gezellig een avondje uit en ze zitten niet te wachten op kritische, ‘moeilijke’ films, die in Rotterdam gretig aftrek vinden. In verhouding tot het geringe aanbod van filmpremières biedt het festival een scala aan vermaak dat bij een eigentijds evenement hoort. Zo kan men naar hartenlust de beroemdheden – nu ja, mensen die je wel eens op de TV ziet – fotograferen die de rode loper betreden: de cast en de crew van de films Blindspot (Micky Hoogendijk, Hugo Metsers, Ad Bol), Blind Date (Stanley Tucci, Thijs Römer, Georgina Verbaan, Katja Schuurman) en Le silence de Lorna (Arta Dobroshi en Luc Dardenne). De organisatie had zelfs scenarioschrijfster Sharman Macdonald (de moeder van de geliefde actrice Keira Knightley) weten te strikken. In het Deltatheater (een gigantische feesttent) trad bijna elke avond een band op waar vooral jongere luisteraars waarschijnlijk mee weglopen: Quinteto Tango Extremo, Wouter Hamel, Alain Clark en DJ/drummer Edwin Evers. En in het streven van festivaldirecteur Leo Hannewijk om meer aandacht te schenken aan literatuur lazen Kluun, Saskia Noort en Christophe Evers voor uit eigen werk, ‘op een swingende en spannende manier’. Zelfs wie een uitgesproken hekel heeft aan films hoefde zich op het festival dus niet te vervelen.

Ook dit jaar was het onderscheidende festivalonderdeel de Film en Literatuur Competitie, waarbij een jury – de ene helft schrijver, de andere helft afkomstig uit de filmwereld – uit een tiental boekverfilmingen de beste film moet kiezen. In het algemeen knipperen de juryleden niet met hun ogen bij het vervullen van die opdracht. Dat is opvallend als men bedenkt dat ze de onmenselijke taak hebben, de beste film te selecteren zonder zich daarbij af te mogen vragen in hoeverre de verfilming recht doet aan de essentie – verhaal, sfeer – van het boek. Ik heb in de loop der jaren uiteraard tal van beroemde boekverfilmingen gezien, zoals The Big Sleep (Raymond Chandler), The Maltese Falcon (Dashiel Hammett), De avonden (Gerard Reve) en Catch 22 (Joseph Heller). Bij al die verfilmingen was het eerste waar ik op lette in hoeverre de film het boek dat ik zo bewonderde ‘heel liet’. Weglaten van dat criterium is godsonmogelijk, en de tot vervelens toe gehoorde uitspraak dat film en boek onvergelijkbare grootheden zijn (dûh), mag dan op het eerste gezicht een zinvolle bedenking lijken, bij de verkiezing van beste boekverfilming dwingt hij de beoordelaar tot ondoenlijke (en daarenboven onzinnige) hersengymnastiek. Hoe kan ik de film De avonden beoordelen, zonder erop te letten of de moeder van hoofdpersoon Frits van Egters haar stopwoordje Hoei Boei wel in het juiste tempo en met de correcte intonatie uitspreekt?
In een manmoedige poging deze jaarlijkse exercitie enige richting te geven, stelden twee juryleden – de schrijver Gerbrand Bakker en de actrice Thekla Reuten – voor dat in de toekomst de jury de boeken in kwestie zou moeten lezen en vervolgens de film zou zien, en bij de beoordeling van de film expliciet de mate zou meewegen waarin de film recht doet aan het boek. Om redenen echter die mij niet duidelijk werden was de rest van de jury het daar niet mee eens. Evenals artistiek directeur Leo Hannewijk, en dat is de man die in Vlissingen de lakens uitdeelt.

Welbeschouwd bestaat FbtS – wat het filmprogramma betreft – uit een stuk of vijftig meer of minder geslaagde films zonder een bindend thema, die (anders dan bijvoorbeeld het aanbod van IFFR) voor het overgrote deel binnen enkele maanden in het reguliere bioscoopcircuit te zien zullen zijn. Voorpremières dus. Sneak previews zonder sneak. Filmliefhebbers die niet op reisafstand van het festival wonen, besparen veel tijd en geld door in hun woonplaats rustig de premières van FbtS af te wachten. Zo leuk is het in Vlissingen nu ook weer niet.
 
**********************************
Adverteren op De Leunstoel kost bijna niks.
© 2008 Hans Knegtmans
powered by CJ2