archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
Live metal en radicale bezoekers Hans Knegtmans

0508VG IFFR-logo
Zo, IFFR 2008 hebben we ook weer gehad! En laat me er geen doekjes om winden: het had geen dag langer moeten duren. De eerste dagen zonder verplicht filmbezoek kwam ik slechts met de allergrootste moeite mijn bed uit, en ook daarna was ik geen knip voor de neus waard. De belangrijkste oorzaak was mijn onrealistische planning van het festivalbezoek.

Gewapend met een matrix van de publieksvoorstellingen en, op kleiner formaat, dezelfde matrix voor de ‘press and industry screenings’ had ik tevoren een programma ontworpen dat klonk als een klok. Met slechts één fatale denkfout, namelijk dat ik elke ochtend na amper zes uur nachtrust kwiek zou opstaan, geestelijk al in de startblokken voor vijf films. Die eerste film miste ik dus, en na afloop van mijn gedecimeerde festivaldag verzon ik de ene driehoeksruil na de andere, totdat ik hem om een uur of drie ’s nachts alsnog in een nieuwe configuratie had ondergebracht. Daardoor negeerde ik ’s ochtends de wekker wederom, miste de eerste voorstelling, en moest ik ’s nachts mijn programma ten tweeden male binnenstebuiten keren. Enzovoort.

Uit de psychologie is bekend dat het maken van keuzes en het nemen van beslissingen geestelijke en lichamelijke energie kost. En dan gaat het niet eens om existentiële zaken. Iemand die elke dag begint met een kop koffie spendeert minder energie dan iemand die dagelijks wikt en weegt welke van zijn acht soorten thee hij nu eens zal selecteren. En wie ’s avonds na het eten als vanzelfsprekend SBS6 aanzet, raakt minder vermoeid dan zijn buurman die van alle zenders aankruist wat hij die avond zou willen zien, en vervolgens na veel passen en meten zijn kijkroute bepaalt. Als ik de allereerste versie van mijn festivalprogramma vergelijk met de definitieve, blijkt dat ik op wel twee dagen geen enkele film heb gezien die ik op dat uur gepland had. Ja, dan loopt het energieverlies snel op.

Twee Leunstoelen geleden beloofde ik het werk van de Free Radicals nader te zullen bestuderen. Dat heb ik gedaan. Hoewel het neologisme van festivaldirecteur Rutger Wolfson door iedereen met graagte omarmd wordt, blijkt niet iedereen het op dezelfde manier te interpreteren. In de Volkskrant Filmfestival Special, vanouds het officieuze programmablad, eigent filmjournalist Ronald Ockhuysen zich de term toe voor de aanduiding van zo’n beetje elke film die zich in een of meer opzichten onttrekt aan de conventies van het commerciële bioscoopgenre. Dat zou betekenen dat het festival voor minstens tachtig procent door radicale nieuwlichters wordt gevuld. Sterker nog, volgens de ontketende Ockhuysen ‘is de bezoeker van het IFFR net zo goed een free radical’. Die brave zielen (die blijkens de publieksenquête het meest genoten hadden van de animatiefilm Persepolis en de nogal suffe feel-good komedie Estômago – A Gastronomic Story) moesten eens weten: met z’n allen op de barricade voor eigenzinnige, compromisloze filmkunst!

Deze Babylonische spraakverwarring kan nooit Wolfsons bedoeling zijn geweest. Ik beperk me hier dan ook tot ‘Filmmaker in Focus’ Robert Breer en ‘ Artist in Focus’ Cameron Jamie, zijnde de filmmakers die Wolfson vooral op het oog heeft. De Amerikaan Cameron Jamie heeft als filmer een weinig imposant oeuvre op zijn naam. Het bekendst zijn een handvol korte documentaires. Vier daarvan werden in Rotterdam vertoond, ondersteund door een live soundtrack. De films en muzikanten varieerden per voorstelling. De Japanse noise gitarist (dat schijnt een bestaande term te zijn) Keiji Haino begeleidde JO en, in een tweede optreden samen met de metal rockgroup The Melvins, de films BB, JO en Kranky Klaus. In de derde voorstelling verzorgden The Melvins (nu zonder Haino) de herrie bij BB, Kranky Klaus en Spook House. Die laatste voorstelling leek mij het interessantst: een goed ingespeelde metal rockband, redeneerde ik, maakt al lawaai zat en heeft daarvoor geen Japans noisefenomeen nodig. En inderdaad, het aantal decibels van The Melvins bleek nauwelijks onder te doen voor dat van het oudejaarsvuurwerk. Omdat twee van de films geluidloos zijn en de derde ondertiteld, vormde dat geen obstakel bij het kijken.

In BB slaan jongeren in een buitenwijk van Los Angeles de zondag stuk met het imiteren van de fake worstelwedstrijden die ze kennen van de tv. Relatief onschuldige vechtpartijen dus, die door de verplichte overacting griezeliger lijken dan ze zijn. Kranky Klaus is volstrekt onbegrijpelijk als je niet weet dat de film een registratie is van het zogenoemde Krampusritueel dat zich jaarlijks in Oostenrijk voltrekt. In de kerstperiode worden straten en partijtjes onveilig gemaakt door vreemde wezens, getooid in lange bontjassen met twee overmaatse kerstballen op de rug, akelige maskers op het gezicht en vervaarlijke0508VG Menno nephorens op hun hoofd geplakt. Meestentijds maken ze de feestgangers alleen maar bang door mallotige sprongetjes, als tennissers bij de voorbereiding van de service. Maar soms ontaarden de plagerijen in duw- en trekwerk, zodat de ouders hun kinderen moeten troosten. Spook House ten slotte laat zien hoe de bewoners van achterstandswijken in Detroit hun huis versieren met afbeeldingen van griezels uit de Amerikaanse pop- en filmcultuur.

Al met al wordt niet duidelijk waarom Rutger Wolfson deze kunstenaar zo graag in het zonnetje wil zetten. Kranky Klaus en BB zouden niet misstaan hebben in een bijprogramma van het IDFA, als registratie van antropologische curiosa. Maar de voorstellingen moesten het toch vooral hebben van de bizarre live soundtrack. Enkele kenners van The Melvins verzekerden me dat, wanneer de muzikanten zich niet hoeven te beperken tot het soort klanktapijt dat men met soundtracks associeert, hun muziek nog een stuk interessanter is. Ik zal maar eens gaan luisteren.

Om met de bejaarde Robert Breer (1926) kennis te maken, moest ik naar het filmzaaltje van café De Unie, een reconstructie van de gelijknamige creatie van architect J.J.P. Oud, medeoprichter van De Stijl. Daar hadden zich ondanks het vroege uur wel zestig liefhebbers verzameld om naar het verzamelprogramma Breer: Image by Images 3 te kijken. Ook na een uurtje Breer weet ik nog steeds niet wat ik ervan vinden moet. Zijn animatiefilmpjes zijn kort, divers, snel en merendeels non-figuratief. Bijvoorbeeld een paar kromme lijntjes die in hoog tempo kantelen, roteren en over elkaar buitelen. Het kostte mij de grootste moeite mijn hoofd erbij te houden.

In plaats daarvan mijmerde ik voor me uit over de resultaten van de vernieuwingsdrang van de festivaldirecteur. Berokkende hij het festival nu wel zo veel schade door de schijnwerper te richten op cineasten die daar op het eerste gezicht niet voor in aanmerking kwamen? Waren de festivalbezoekers nu slechter af met Jamie en Breer dan met een retrospectief van bijvoorbeeld Otar Iosseliani of Claude Chabrol? Ja, ik weet wel waaraan ik de voorkeur zou geven. Maar jaar in jaar uit zijn er minstens tien filmtheaters in Nederland die dit soort programma’s organiseren. Dus misschien moeten we Wolfson maar laten uitrazen met zijn vernieuwingsdrang. En hopen dat hij in zijn nieuwe functie gauw bijleert en ontdekt dat vele tientallen ‘nieuwe’ filmmakers interessantere dingen met het medium doen dan Breer en Jamie.

Dan denk ik niet in de eerste plaats aan Carlos Reygadas, wiens festivalhit Stellet licht nu in de bioscoop draait. De vreemde titel is Plautdietsch, de taal van de Mennonieten. De film speelt in Noord-Mexico, in een enclave die bevolkt wordt door deze volgelingen van de Friese priester Menno Simons. Eenvoud en eerbied voor traditie kenmerken hun levenswandel. Daarin is geen plaats voor buitenechtelijke verliefdheid, en dat is juist waar hoofdpersoon Johan – getrouwd en vader van zes blozende kinderen – aan lijdt. Hij probeert de relatie te verbreken, maar het vlees is zwak.

Of ik nu wilde of niet, steeds kwam ik op het festival in gesprek met andere bezoekers die superlatieven tekort kwamen voor dit vermeende meesterwerk. En zij zijn niet de enigen: in Cannes kreeg de film in 2007 de juryprijs toegekend, in Rio de Janeiro de FIPRESCI-prijs en in Chicago de Gouden Hugo. Gelukkig was ik voor geen van deze jury’s gevraagd, anders had ik mijn collega’s moeten uitleggen dat ik mij stoorde aan de ansichtkaartenesthetiek van de film. Lange, langzame shots, ook als het beeld zich daar niet toe leende. Zo boeiend zijn zes Mennonitische kindjes aan de ontbijttafel nu ook weer niet. Reygadas zou eens een film van Béla Tarr of Nuri Bilge Ceylan moeten zien, dan begrijpt hij misschien beter dat de bedoeling van lange takes en een langzame cameravoering is de kijker iets te laten ontdekken. Of dat nu een geheimzinnig misdrijf is (zoals in Tarrs The Man from London, later dit jaar in de bioscoop te zien) of een ondergesneeuwd dorp (Kasaba, het Rotterdamse debuut van Ceylan in 1999). Tekenend genoeg veerde ik pas op bij een tv-fragment van een live optreden van Jacques Brel. Dat had best wat langer mogen duren.

Maar niet getreurd: diverse hoogtepunten van IFFR gaan dezer dagen in première. De Oscarkandidaten Juno en No Country for Old Men, en mijn persoonlijke festivalfavoriet You, the Living, van de Zweed Roy Andersson. Dan zult u me uit een ander vaatje zien tappen!
 
*********************************
Drs. Theo IJzermans geeft begeleiding bij
persoonlijke ontwikkeling op het werk.
Ga voor informatie naar www.ijzermans.org


© 2008 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
Live metal en radicale bezoekers Hans Knegtmans
0508VG IFFR-logo
Zo, IFFR 2008 hebben we ook weer gehad! En laat me er geen doekjes om winden: het had geen dag langer moeten duren. De eerste dagen zonder verplicht filmbezoek kwam ik slechts met de allergrootste moeite mijn bed uit, en ook daarna was ik geen knip voor de neus waard. De belangrijkste oorzaak was mijn onrealistische planning van het festivalbezoek.

Gewapend met een matrix van de publieksvoorstellingen en, op kleiner formaat, dezelfde matrix voor de ‘press and industry screenings’ had ik tevoren een programma ontworpen dat klonk als een klok. Met slechts één fatale denkfout, namelijk dat ik elke ochtend na amper zes uur nachtrust kwiek zou opstaan, geestelijk al in de startblokken voor vijf films. Die eerste film miste ik dus, en na afloop van mijn gedecimeerde festivaldag verzon ik de ene driehoeksruil na de andere, totdat ik hem om een uur of drie ’s nachts alsnog in een nieuwe configuratie had ondergebracht. Daardoor negeerde ik ’s ochtends de wekker wederom, miste de eerste voorstelling, en moest ik ’s nachts mijn programma ten tweeden male binnenstebuiten keren. Enzovoort.

Uit de psychologie is bekend dat het maken van keuzes en het nemen van beslissingen geestelijke en lichamelijke energie kost. En dan gaat het niet eens om existentiële zaken. Iemand die elke dag begint met een kop koffie spendeert minder energie dan iemand die dagelijks wikt en weegt welke van zijn acht soorten thee hij nu eens zal selecteren. En wie ’s avonds na het eten als vanzelfsprekend SBS6 aanzet, raakt minder vermoeid dan zijn buurman die van alle zenders aankruist wat hij die avond zou willen zien, en vervolgens na veel passen en meten zijn kijkroute bepaalt. Als ik de allereerste versie van mijn festivalprogramma vergelijk met de definitieve, blijkt dat ik op wel twee dagen geen enkele film heb gezien die ik op dat uur gepland had. Ja, dan loopt het energieverlies snel op.

Twee Leunstoelen geleden beloofde ik het werk van de Free Radicals nader te zullen bestuderen. Dat heb ik gedaan. Hoewel het neologisme van festivaldirecteur Rutger Wolfson door iedereen met graagte omarmd wordt, blijkt niet iedereen het op dezelfde manier te interpreteren. In de Volkskrant Filmfestival Special, vanouds het officieuze programmablad, eigent filmjournalist Ronald Ockhuysen zich de term toe voor de aanduiding van zo’n beetje elke film die zich in een of meer opzichten onttrekt aan de conventies van het commerciële bioscoopgenre. Dat zou betekenen dat het festival voor minstens tachtig procent door radicale nieuwlichters wordt gevuld. Sterker nog, volgens de ontketende Ockhuysen ‘is de bezoeker van het IFFR net zo goed een free radical’. Die brave zielen (die blijkens de publieksenquête het meest genoten hadden van de animatiefilm Persepolis en de nogal suffe feel-good komedie Estômago – A Gastronomic Story) moesten eens weten: met z’n allen op de barricade voor eigenzinnige, compromisloze filmkunst!

Deze Babylonische spraakverwarring kan nooit Wolfsons bedoeling zijn geweest. Ik beperk me hier dan ook tot ‘Filmmaker in Focus’ Robert Breer en ‘ Artist in Focus’ Cameron Jamie, zijnde de filmmakers die Wolfson vooral op het oog heeft. De Amerikaan Cameron Jamie heeft als filmer een weinig imposant oeuvre op zijn naam. Het bekendst zijn een handvol korte documentaires. Vier daarvan werden in Rotterdam vertoond, ondersteund door een live soundtrack. De films en muzikanten varieerden per voorstelling. De Japanse noise gitarist (dat schijnt een bestaande term te zijn) Keiji Haino begeleidde JO en, in een tweede optreden samen met de metal rockgroup The Melvins, de films BB, JO en Kranky Klaus. In de derde voorstelling verzorgden The Melvins (nu zonder Haino) de herrie bij BB, Kranky Klaus en Spook House. Die laatste voorstelling leek mij het interessantst: een goed ingespeelde metal rockband, redeneerde ik, maakt al lawaai zat en heeft daarvoor geen Japans noisefenomeen nodig. En inderdaad, het aantal decibels van The Melvins bleek nauwelijks onder te doen voor dat van het oudejaarsvuurwerk. Omdat twee van de films geluidloos zijn en de derde ondertiteld, vormde dat geen obstakel bij het kijken.

In BB slaan jongeren in een buitenwijk van Los Angeles de zondag stuk met het imiteren van de fake worstelwedstrijden die ze kennen van de tv. Relatief onschuldige vechtpartijen dus, die door de verplichte overacting griezeliger lijken dan ze zijn. Kranky Klaus is volstrekt onbegrijpelijk als je niet weet dat de film een registratie is van het zogenoemde Krampusritueel dat zich jaarlijks in Oostenrijk voltrekt. In de kerstperiode worden straten en partijtjes onveilig gemaakt door vreemde wezens, getooid in lange bontjassen met twee overmaatse kerstballen op de rug, akelige maskers op het gezicht en vervaarlijke0508VG Menno nephorens op hun hoofd geplakt. Meestentijds maken ze de feestgangers alleen maar bang door mallotige sprongetjes, als tennissers bij de voorbereiding van de service. Maar soms ontaarden de plagerijen in duw- en trekwerk, zodat de ouders hun kinderen moeten troosten. Spook House ten slotte laat zien hoe de bewoners van achterstandswijken in Detroit hun huis versieren met afbeeldingen van griezels uit de Amerikaanse pop- en filmcultuur.

Al met al wordt niet duidelijk waarom Rutger Wolfson deze kunstenaar zo graag in het zonnetje wil zetten. Kranky Klaus en BB zouden niet misstaan hebben in een bijprogramma van het IDFA, als registratie van antropologische curiosa. Maar de voorstellingen moesten het toch vooral hebben van de bizarre live soundtrack. Enkele kenners van The Melvins verzekerden me dat, wanneer de muzikanten zich niet hoeven te beperken tot het soort klanktapijt dat men met soundtracks associeert, hun muziek nog een stuk interessanter is. Ik zal maar eens gaan luisteren.

Om met de bejaarde Robert Breer (1926) kennis te maken, moest ik naar het filmzaaltje van café De Unie, een reconstructie van de gelijknamige creatie van architect J.J.P. Oud, medeoprichter van De Stijl. Daar hadden zich ondanks het vroege uur wel zestig liefhebbers verzameld om naar het verzamelprogramma Breer: Image by Images 3 te kijken. Ook na een uurtje Breer weet ik nog steeds niet wat ik ervan vinden moet. Zijn animatiefilmpjes zijn kort, divers, snel en merendeels non-figuratief. Bijvoorbeeld een paar kromme lijntjes die in hoog tempo kantelen, roteren en over elkaar buitelen. Het kostte mij de grootste moeite mijn hoofd erbij te houden.

In plaats daarvan mijmerde ik voor me uit over de resultaten van de vernieuwingsdrang van de festivaldirecteur. Berokkende hij het festival nu wel zo veel schade door de schijnwerper te richten op cineasten die daar op het eerste gezicht niet voor in aanmerking kwamen? Waren de festivalbezoekers nu slechter af met Jamie en Breer dan met een retrospectief van bijvoorbeeld Otar Iosseliani of Claude Chabrol? Ja, ik weet wel waaraan ik de voorkeur zou geven. Maar jaar in jaar uit zijn er minstens tien filmtheaters in Nederland die dit soort programma’s organiseren. Dus misschien moeten we Wolfson maar laten uitrazen met zijn vernieuwingsdrang. En hopen dat hij in zijn nieuwe functie gauw bijleert en ontdekt dat vele tientallen ‘nieuwe’ filmmakers interessantere dingen met het medium doen dan Breer en Jamie.

Dan denk ik niet in de eerste plaats aan Carlos Reygadas, wiens festivalhit Stellet licht nu in de bioscoop draait. De vreemde titel is Plautdietsch, de taal van de Mennonieten. De film speelt in Noord-Mexico, in een enclave die bevolkt wordt door deze volgelingen van de Friese priester Menno Simons. Eenvoud en eerbied voor traditie kenmerken hun levenswandel. Daarin is geen plaats voor buitenechtelijke verliefdheid, en dat is juist waar hoofdpersoon Johan – getrouwd en vader van zes blozende kinderen – aan lijdt. Hij probeert de relatie te verbreken, maar het vlees is zwak.

Of ik nu wilde of niet, steeds kwam ik op het festival in gesprek met andere bezoekers die superlatieven tekort kwamen voor dit vermeende meesterwerk. En zij zijn niet de enigen: in Cannes kreeg de film in 2007 de juryprijs toegekend, in Rio de Janeiro de FIPRESCI-prijs en in Chicago de Gouden Hugo. Gelukkig was ik voor geen van deze jury’s gevraagd, anders had ik mijn collega’s moeten uitleggen dat ik mij stoorde aan de ansichtkaartenesthetiek van de film. Lange, langzame shots, ook als het beeld zich daar niet toe leende. Zo boeiend zijn zes Mennonitische kindjes aan de ontbijttafel nu ook weer niet. Reygadas zou eens een film van Béla Tarr of Nuri Bilge Ceylan moeten zien, dan begrijpt hij misschien beter dat de bedoeling van lange takes en een langzame cameravoering is de kijker iets te laten ontdekken. Of dat nu een geheimzinnig misdrijf is (zoals in Tarrs The Man from London, later dit jaar in de bioscoop te zien) of een ondergesneeuwd dorp (Kasaba, het Rotterdamse debuut van Ceylan in 1999). Tekenend genoeg veerde ik pas op bij een tv-fragment van een live optreden van Jacques Brel. Dat had best wat langer mogen duren.

Maar niet getreurd: diverse hoogtepunten van IFFR gaan dezer dagen in première. De Oscarkandidaten Juno en No Country for Old Men, en mijn persoonlijke festivalfavoriet You, the Living, van de Zweed Roy Andersson. Dan zult u me uit een ander vaatje zien tappen!
 
*********************************
Drs. Theo IJzermans geeft begeleiding bij
persoonlijke ontwikkeling op het werk.
Ga voor informatie naar www.ijzermans.org
© 2008 Hans Knegtmans
powered by CJ2