archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
Vliegende schotels en andere bravourestukjes Hans Knegtmans

0110 Vliegende schotelsTim Burton’s oeuvre is er niet een van dertien-in-een-dozijn. Batman en Batman Returns waren verhoudingsgewijs nog redelijk conventioneel, maar Edward Scissorhands, Ed Wood en Mars Attacks! kun je bezwaarlijk rekenen tot de mainstream van de Amerikaanse speelfilm. Ed Wood (1994) is een biografie van en vooral een eerbetoon aan een regisseur die, al dan niet verdiend, waarschijnlijk de geschiedenisboeken in zal gaan als een van de slechtste regisseurs aller tijden. Zijn magnum opus is het science-fiction drama Plan 9 from Outer Space. Het verdient aanbeveling, Plan 9 en Ed Wood achter elkaar te zien, in deze volgorde. Plan 9 staat bekend om de knulligste special effects die men ooit op het witte doek heeft kunnen aanschouwen, maar ook het spel en de dialogen zijn van ongewone kwaliteit: “But one thing's sure. Inspector Clay is dead, murdered, and somebody's responsible.” Of wat te denken van deze uitspraak: “Visits? That would indicate visitors.” Voordat hier misverstanden over ontstaan: Burton is er niet op uit, zijn minder begaafde collega voor gek te zetten – dat zou al te makkelijk zijn. Hij portretteert naar eer en geweten een man wiens bezetenheid voor film omgekeerd evenredig was met zijn cinematografisch talent. Dat hij al doende Woods rijk geassorteerde blunders laat zien, hoort daarbij.

Mars Attacks! (uit 1996) is het kolderieke equivalent van het heldenepos Independence Day. Na een onnodig uitgesponnen begin waarin we er van doordrongen raken dat de Marsbewoners in aantocht zijn, breekt de hel los als de eerste van hun vliegende schotels geland is. De Amerikaanse president – Jack Nicholson, die zoals vaker gewoon zichzelf speelt – laat zich door een ruimtevaartgeleerde (een pijprokende Pierce Brosnan, gehuld in de witte jas van de wetenschapper) uitleggen dat wezens met een zo superieure intelligentie alleen maar goeds in de zin kunnen hebben. Groot is dan ook de teleurstelling als de Marsbewoners zonder plichtplegingen niet alleen het ontvangstcomité overhoop schieten maar ook zoveel mogelijk van de toegestroomde new age-sympathisanten en andere dagjesmensen. De president doet het incident af als een interplanetaire communicatiestoornis – tot grote hilariteit in de vliegende schotel – en waagt een nieuwe poging tot kennismaking. Dit keer wordt het voltallige Congres weggevaagd. Langzaamaan groeit het besef dat de wezentjes (over de seksualiteit op Mars bestaat onzekerheid bij de aardbewoners; zijn er mannetjes en vrouwtjes?) met de deerniswekkende waterhoofden de aarde willen vernietigen.

Zo liefdevol als hij Ed Wood maakte, zo rücksichtlos pakt Burton uit in Mars Attacks!. Dat iedereen overlijdt, mag de pret niet drukken, want de meeste hoofdfiguren zijn bijzonder antipathiek. Niet alleen aan president Nicholson en wetenschapper Brosnan is weinig verloren: ook om de first lady (Glenn Close), de presidentiële perschef (Martin Short), de anchor man van een actualiteitenprogramma (Michael J. Fox) en een ultrarechtse huisvader (Joe Don Baker) hoeft de toeschouwer geen traan te laten. De kijker kan vrij makkelijk voorspellen wie door een gelukkig toeval gespaard zullen blijven, al zal een enkeling verbaasd zijn dat ook Tom Jones – die in Las Vegas het It’s not unusual ten gehore brengt – het vege lijf weet te redden. De manier waarop de aarde de invasie overleeft is wonderbaarlijker dan alles wat we daarvoor hebben gezien. Voor de een zal dit het zoveelste bewijs zijn van Burtons vrijgevochten talent – misschien niet van hetzelfde kaliber als de broertjes Joel en Ethan Coen, maar wel met vergelijkbare flarden van genialiteit -, de ander zal gesterkt worden in zijn opvatting dat we hier met een warhoofd van doen hebben. Ik schaar me graag onder de bewonderaars.

Burtons nieuwe film, Big Fish, draait op dit moment in de bioscopen. Een kassucces zal het niet worden – daarvoor is de stijl te barok en het verhaal niet rechtlijnig genoeg. Edward Bloom is een fantast. Hij specialiseert zich in sterke verhalen waarin voor hemzelf onveranderlijk een glansrol is weggelegd. Omdat hij een geboren verteller is, beleven de toehoorders in de regel veel plezier aan zijn lariekoek. Voor zijn zoon Will ligt dat anders. Die kent alle verhalen inmiddels uit zijn hoofd en ergert zich er dood aan. Hij heeft geen idee wat voor man zijn vader werkelijk is, behalve een dwangmatige opschepper. Sinds enkele jaren hebben ze nauwelijks contact meer. Edward werkt in Alabama als vertegenwoordiger, zoon Will heeft zich als journalist in Parijs gevestigd en is getrouwd met een Française. Wanneer Edward ernstig ziek wordt en nog maar enkele weken te leven heeft, reist Will met grote tegenzin af naar het ouderlijk huis. Wat moet, dat moet. Maar, heeft hij zich voorgenomen, deze keer zal hij het anders aanpakken. De oude baas zal kleur moeten bekennen, en zich niet kunnen verschuilen achter zijn gebruikelijke kletsverhalen.

De kijker verwacht op dat moment een ijzige confrontatie van het soort waar Ingmar Bergman het patent op had, maar Burton is daar de filmer niet naar. In plaats daarvan vertelt hij in flashbacks de heroïsche verrichtingen van de toen nog jonge Edward. Will mag de verhalen dan wel kunnen dromen, de toeschouwer heeft nog maar één anecdote uit vaders mond kunnen optekenen. En wat een mooie verhalen zijn het! Ewan McGregor neemt de rol van de jonge Edward voor zijn rekening en doet dat weergaloos. Hij is nauwelijks herkenbaar met zijn keurige jaren vijftig-kapsel en dito kleding. Vanaf het eerste moment maakt hij volstrekt aannemelijk dat iedereen, een enkele jaloerse adolescent daargelaten, met hem wegloopt. Hij is de beste van het basketbalteam maar ook in scheikundige proefjes blinkt hij uit. Als het stadje onveilig gemaakt wordt door een monsterlijke reus is hij het die niet alleen de confrontatie aandurft, maar ook meteen door de angstaanjagende façade heenkijkt. In een dorpje met louter schattige inwoners (zoals een dichter die al jaren worstelt met de vierde regel van een kwatrijn) wordt hij als een verloren zoon binnengehaald. Zoveel braafheid kan zelfs Edward niet verdragen, en hij trekt verder, op naar nieuwe avonturen, te beginnen in een archaïsch circus. Het spreekt voor zich dat de reus hier direct aan de bak kan, dus dat is een zorg minder. De verhalen zijn buitengewoon geestig en Burton laat zien dat, zoals in tal van stripverhalen, de held geen swingende persoonlijkheid hoeft te zijn als de intrige maar voor voldoende vuurwerk zorgt.

Pas tegen het eind van de film kan Burton niet meer om de naderende dood van Edward heen, en maken de bravourestukjes plaats voor een serieuze confrontatie tussen vader en zoon. Dit leidt tot enkele sentimentele scènes. Dat de film niet echt instort is vooral te danken aan het superieure acteerwerk van Albert Finney. Die ziet er al twintig jaar uit alsof hij op sterven na dood is, en de rol van zieke oude man is hem op het lijf geschreven. Een kunstige plotwending zorgt ervoor dat het stervensproces wordt bespoedigd en dat Will ontdekt dat zijn vader en hij niet zoveel van elkaar verschillen als hij altijd heeft aangenomen. Gauw naar de bioscoop, want ik vrees dat Big Fish het in de meeste theaters niet langer dan een paar weken zal uithouden. De film verdient een beter lot, maar het marketen van Tim Burton is al jaren een heidens karwei.

© 2004 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
Vliegende schotels en andere bravourestukjes Hans Knegtmans
0110 Vliegende schotelsTim Burton’s oeuvre is er niet een van dertien-in-een-dozijn. Batman en Batman Returns waren verhoudingsgewijs nog redelijk conventioneel, maar Edward Scissorhands, Ed Wood en Mars Attacks! kun je bezwaarlijk rekenen tot de mainstream van de Amerikaanse speelfilm. Ed Wood (1994) is een biografie van en vooral een eerbetoon aan een regisseur die, al dan niet verdiend, waarschijnlijk de geschiedenisboeken in zal gaan als een van de slechtste regisseurs aller tijden. Zijn magnum opus is het science-fiction drama Plan 9 from Outer Space. Het verdient aanbeveling, Plan 9 en Ed Wood achter elkaar te zien, in deze volgorde. Plan 9 staat bekend om de knulligste special effects die men ooit op het witte doek heeft kunnen aanschouwen, maar ook het spel en de dialogen zijn van ongewone kwaliteit: “But one thing's sure. Inspector Clay is dead, murdered, and somebody's responsible.” Of wat te denken van deze uitspraak: “Visits? That would indicate visitors.” Voordat hier misverstanden over ontstaan: Burton is er niet op uit, zijn minder begaafde collega voor gek te zetten – dat zou al te makkelijk zijn. Hij portretteert naar eer en geweten een man wiens bezetenheid voor film omgekeerd evenredig was met zijn cinematografisch talent. Dat hij al doende Woods rijk geassorteerde blunders laat zien, hoort daarbij.

Mars Attacks! (uit 1996) is het kolderieke equivalent van het heldenepos Independence Day. Na een onnodig uitgesponnen begin waarin we er van doordrongen raken dat de Marsbewoners in aantocht zijn, breekt de hel los als de eerste van hun vliegende schotels geland is. De Amerikaanse president – Jack Nicholson, die zoals vaker gewoon zichzelf speelt – laat zich door een ruimtevaartgeleerde (een pijprokende Pierce Brosnan, gehuld in de witte jas van de wetenschapper) uitleggen dat wezens met een zo superieure intelligentie alleen maar goeds in de zin kunnen hebben. Groot is dan ook de teleurstelling als de Marsbewoners zonder plichtplegingen niet alleen het ontvangstcomité overhoop schieten maar ook zoveel mogelijk van de toegestroomde new age-sympathisanten en andere dagjesmensen. De president doet het incident af als een interplanetaire communicatiestoornis – tot grote hilariteit in de vliegende schotel – en waagt een nieuwe poging tot kennismaking. Dit keer wordt het voltallige Congres weggevaagd. Langzaamaan groeit het besef dat de wezentjes (over de seksualiteit op Mars bestaat onzekerheid bij de aardbewoners; zijn er mannetjes en vrouwtjes?) met de deerniswekkende waterhoofden de aarde willen vernietigen.

Zo liefdevol als hij Ed Wood maakte, zo rücksichtlos pakt Burton uit in Mars Attacks!. Dat iedereen overlijdt, mag de pret niet drukken, want de meeste hoofdfiguren zijn bijzonder antipathiek. Niet alleen aan president Nicholson en wetenschapper Brosnan is weinig verloren: ook om de first lady (Glenn Close), de presidentiële perschef (Martin Short), de anchor man van een actualiteitenprogramma (Michael J. Fox) en een ultrarechtse huisvader (Joe Don Baker) hoeft de toeschouwer geen traan te laten. De kijker kan vrij makkelijk voorspellen wie door een gelukkig toeval gespaard zullen blijven, al zal een enkeling verbaasd zijn dat ook Tom Jones – die in Las Vegas het It’s not unusual ten gehore brengt – het vege lijf weet te redden. De manier waarop de aarde de invasie overleeft is wonderbaarlijker dan alles wat we daarvoor hebben gezien. Voor de een zal dit het zoveelste bewijs zijn van Burtons vrijgevochten talent – misschien niet van hetzelfde kaliber als de broertjes Joel en Ethan Coen, maar wel met vergelijkbare flarden van genialiteit -, de ander zal gesterkt worden in zijn opvatting dat we hier met een warhoofd van doen hebben. Ik schaar me graag onder de bewonderaars.

Burtons nieuwe film, Big Fish, draait op dit moment in de bioscopen. Een kassucces zal het niet worden – daarvoor is de stijl te barok en het verhaal niet rechtlijnig genoeg. Edward Bloom is een fantast. Hij specialiseert zich in sterke verhalen waarin voor hemzelf onveranderlijk een glansrol is weggelegd. Omdat hij een geboren verteller is, beleven de toehoorders in de regel veel plezier aan zijn lariekoek. Voor zijn zoon Will ligt dat anders. Die kent alle verhalen inmiddels uit zijn hoofd en ergert zich er dood aan. Hij heeft geen idee wat voor man zijn vader werkelijk is, behalve een dwangmatige opschepper. Sinds enkele jaren hebben ze nauwelijks contact meer. Edward werkt in Alabama als vertegenwoordiger, zoon Will heeft zich als journalist in Parijs gevestigd en is getrouwd met een Française. Wanneer Edward ernstig ziek wordt en nog maar enkele weken te leven heeft, reist Will met grote tegenzin af naar het ouderlijk huis. Wat moet, dat moet. Maar, heeft hij zich voorgenomen, deze keer zal hij het anders aanpakken. De oude baas zal kleur moeten bekennen, en zich niet kunnen verschuilen achter zijn gebruikelijke kletsverhalen.

De kijker verwacht op dat moment een ijzige confrontatie van het soort waar Ingmar Bergman het patent op had, maar Burton is daar de filmer niet naar. In plaats daarvan vertelt hij in flashbacks de heroïsche verrichtingen van de toen nog jonge Edward. Will mag de verhalen dan wel kunnen dromen, de toeschouwer heeft nog maar één anecdote uit vaders mond kunnen optekenen. En wat een mooie verhalen zijn het! Ewan McGregor neemt de rol van de jonge Edward voor zijn rekening en doet dat weergaloos. Hij is nauwelijks herkenbaar met zijn keurige jaren vijftig-kapsel en dito kleding. Vanaf het eerste moment maakt hij volstrekt aannemelijk dat iedereen, een enkele jaloerse adolescent daargelaten, met hem wegloopt. Hij is de beste van het basketbalteam maar ook in scheikundige proefjes blinkt hij uit. Als het stadje onveilig gemaakt wordt door een monsterlijke reus is hij het die niet alleen de confrontatie aandurft, maar ook meteen door de angstaanjagende façade heenkijkt. In een dorpje met louter schattige inwoners (zoals een dichter die al jaren worstelt met de vierde regel van een kwatrijn) wordt hij als een verloren zoon binnengehaald. Zoveel braafheid kan zelfs Edward niet verdragen, en hij trekt verder, op naar nieuwe avonturen, te beginnen in een archaïsch circus. Het spreekt voor zich dat de reus hier direct aan de bak kan, dus dat is een zorg minder. De verhalen zijn buitengewoon geestig en Burton laat zien dat, zoals in tal van stripverhalen, de held geen swingende persoonlijkheid hoeft te zijn als de intrige maar voor voldoende vuurwerk zorgt.

Pas tegen het eind van de film kan Burton niet meer om de naderende dood van Edward heen, en maken de bravourestukjes plaats voor een serieuze confrontatie tussen vader en zoon. Dit leidt tot enkele sentimentele scènes. Dat de film niet echt instort is vooral te danken aan het superieure acteerwerk van Albert Finney. Die ziet er al twintig jaar uit alsof hij op sterven na dood is, en de rol van zieke oude man is hem op het lijf geschreven. Een kunstige plotwending zorgt ervoor dat het stervensproces wordt bespoedigd en dat Will ontdekt dat zijn vader en hij niet zoveel van elkaar verschillen als hij altijd heeft aangenomen. Gauw naar de bioscoop, want ik vrees dat Big Fish het in de meeste theaters niet langer dan een paar weken zal uithouden. De film verdient een beter lot, maar het marketen van Tim Burton is al jaren een heidens karwei.
© 2004 Hans Knegtmans
powered by CJ2