archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
Kunstzinnig Hollywood Hans Knegtmans

0113 Hoe vertel ik ...
De tweede editie van het Leids Filmfestival heeft glansrijk de eindstreep gehaald. Tijdens de slotceremonie werden de drie IJzeren Haringen uitgedeeld aan de korte Nederlandse films Hard Boiled Chicken (categorie animatie), Pijn (categorie drama) en Lunch (categorie visualizing music, in dit geval muziek die door Hennie Vrienten was gecomponeerd). Uitgedeelde Haringen zijn natuurlijk geen betrouwbare indicator van een spetterend festival – ook het Eurovisie Songfestival levert jaarlijks een winnaar op, terwijl toch maar weinigen dit een geslaagd evenement vinden. Belangrijker is dat het festival dit jaar aanmerkelijk beter was georganiseerd dan in 2006. Een festivalsite met essentiële informatie, een handzaam programmaboekje met filmbeschrijvingen (en zelfs een heuse matrix van tijden, zalen en films zoals die al jaren door de grote broers IFFR, IDFA en het Nederlands Filmfestival worden geproduceerd), een filmaanbod dat beter was en meer divers dan verleden jaar en een stijging van het aantal bezoekers.

Natuurlijk werden de voorpremières uit het hoofdprogramma gemiddeld beter bezocht dan de verschillende bijprogramma’s: Russische films, Japanse klassiekers en documentaires (zowel serieuze als nep). Bij mijn weten is IFFR het enige Nederlandse festival dat niet aan dit euvel lijdt. Maar wat dan nog? Anders dan bij de vorige editie had ik ook bij ‘alternatieve’ vertoningen nooit minder dan 20 medebezoekers om me heen. Goed werk. En de organisatoren gaan door, hebben ze beloofd.

Tot de festivalsuccessen behoorden de Hollywood kaskrakers American Gangster – geprogrammeerd als openingsfilm – en The Assassination of Jesse James by the Coward Robert Ford. Een gangsterfilm en een western als publieksfavorieten, dat zal voor de laatste keer gebeurd zijn in de jaren zestig. Nu zijn het ook geen films van dertien in een dozijn. Beide zijn buitensporig lang (zo’n 160 minuten), hebben supersterren in de hoofdrol (Denzel Washington en Russell Crowe in Gangster, Brad Pitt in Jesse James), en ruiken een uur in de wind naar filmkunst met een grote F. Naar films waar we onbehoorlijk lang op hebben moeten wachten sinds, respectievelijk, Martin Scorsese’s Goodfellas en Clint Eastwoords Unforgiven. Maar Hollywood heeft de tendentieuze marketing min of meer uitgevonden, dus laat u zich alstublieft niet inpakken door het tromgeroffel.

American Gangster is gebaseerd op bestaande personen. Toen in 1968 in Harlem de gangster Bumpy Johnson overleed, besloot diens chauffeur en vertrouweling Frank Lucas (Denzel Washington) in zijn voetsporen te treden. Hij had Bumpy’s adagium goed in zijn oren geknoopt: ‘zorg dat je een beter en goedkoper product verkoopt dan de concurrentie.’ Bij de heroïnehandel gaat veel geld verloren aan tussenpersonen en het versnijden van het goedje. Dat kon dus beter. Daarom kocht hij zijn waar in het Verre Oosten en leverde als kleine zelfstandige direct aan zijn afnemers. Voor de import maakte hij gebruik van de aanwezigheid van het Amerikaanse leger in Vietnam. De lijkkisten van gesneuvelde soldaten boden de mogelijkheid tot onopvallend transport. Het valt te begrijpen dat de georganiseerde misdaad niet blij was met de onverwachte concurrentie van een onbekende nieuweling. Ook bij de politie werd, vanwege het gederfde smeergeld, de stemming er niet beter op.

De tweede historische figuur die regisseur Ridley Scott (Gladiator, Hannibal, Kingdom of Heaven) opvoert, is politieman Richie Roberts (Russell Crowe). Roberts maakte zich bij zijn collega’s gehaat doordat hij een vondst van bijna een miljoen dollar aan drugsgeld eerlijk bij zijn superieuren meldde, in plaats van, zoals een ‘normale’ politieagent betaamt, het in eigen zak te steken. Zijn chef droeg hem vervolgens op een rechercheteam te formeren dat een einde moest maken aan de losgebarsten drugsoorlog.

Met dit verhaal is niets mis, met de uitwerking des te meer. De kijker heeft eerder dan Roberts door wie zijn tegenstanders zijn: corrupte collega’s, de maffia maar bovenal de onzichtbaar opererende Frank Lucas. De twee hoofdfiguren ontmoeten elkaar pas tegen het eind van het verhaal. Tot dat moment zwenkt de cameraman trouwhartig heen en weer tussen de personages, en probeert Scott ons te laten zien dat Lucas en Roberts in meerdere opzichten elkaars tegenpolen zijn. Die poging pakt geforceerd uit. Het wordt al snel duidelijk dat Lucas een vat met tegenstrijdigheden is. Hij leidt het leven van een gedisciplineerd zakenman: met de kippen op stok en voor dag en dauw weer op pad, keurig maar onopvallend gekleed. Op zondag begeleidt hij zijn oude moeder naar de kerk, en hij onderhoudt een monogame relatie met zijn charmante vriendin. Maar o wee als iemand hem voor de voeten loopt! De kans is groot dat die de confrontatie niet kan navertellen. Zo onderbreekt hij een familielunch wanneer vanaf de straat een concurrerende – maar minder beschaafde – gangster hem uitdaagt. Hij gaat naar buiten, schiet de man dood, en vervolgt zijn lunch. Waar hadden we het ook alweer over?

Het lukt de regisseur echter niet Roberts eenzelfde complexiteit te bezorgen, al laat hij geen middel onbenut. De politieman voltooit in de avond zijn rechtenstudie en bestrijdt zijn onzichtbare tegenstander met toewijding. Intussen voert hij wel een bittere strijd met zijn echtgenote om de voogdij over hun zoontje. En, om het nog bonter te maken, neukt hij iedere vrouw die hij tegenkomt. Heb je het ooit zo zout gegeten? Maar deze suggestie van een complex karakter komt niet over. De kijker ziet niet meer dan een hardwerkende Russell Crowe die met zijn lichtelijk verbaasde hondenogen de wondere wereld van de drugshandel en corruptie aanschouwt. American Gangster ontleent zijn magie voor een belangrijk deel aan de verbazingwekkende werkelijkheid waarop hij gebaseerd is. Als je die achtergrond niet zou kennen, kijk je slechts naar een duur gemaakte, nogal langdradige misdaadfilm.

The Assassination of Jesse James by the Coward Robert Ford toont de beroemde outlaw in zijn nadagen. De tijd van de grote successen was allang voorbij en van de bendeleden van het eerste uur waren naast broer Frank James alleen Bob en Charley Ford nog over. (Wie de originele gang aan het werk wil zien, moet vooral een DVD huren van The Great Northfield Minnesota Raid uit 1972, van regisseur Philip Kaufman, met een beangstigende Robert Duvall als Jesse. Of anders The Long Riders, uit 1980, van Walter Hill. De gimmick van die film is dat de gebroeders James, Younger, Miller en Ford worden gespeeld door acteurs die ook in het dagelijks leven broers zijn, namelijk Frank en Stacy Keach, David, Keith en Robert Carradine, Randy en Dennis Quaid, en Christopher en Nicholas Guest.)

Dat laatste half jaar was voor de betrokkenen – Jesse en het zooitje ongeregeld waarmee hij nog een enkele overval pleegde – geen pretje. In de roman van Ron Hansen waarop regisseur en scenarist Andrew Dominik de film baseerde, is James een bipolaire persoonlijkheid met paranoïde trekjes. Meestentijds speelt hij de rechtschapen echtgenoot en vader van twee schattige kindjes, maar dan weer staat hij ineens bij een van zijn collega’s op de stoep, ergens op het troosteloze platteland van Missouri. Soms zomaar ‘voor de gezelligheid’, maar de kans is groter dat hem een onaangenaam gerucht over de bewoner ter ore is gekomen dat hij wil verifiëren. Tijdens die bezoekjes is de stemming te snijden. Iedereen doet het in zijn broek voor de gangster, en vrijwel altijd heeft het bendelid iets op zijn kerfstok. Alleen tast hij nog in het duister over wat zijn baas nu echt weet en welke vermoedens net nog rechtgelogen kunnen worden.

De enige die Jesse’s vertrouwen geniet is nieuwkomer Robert Ford, het jongere broertje van bendelid Charley. Deze creep (met gepaste weerzinwekkendheid gespeeld door een lispelende Casey Affleck) dringt zich vastberaden op aan zijn jeugdheld. Onder zijn bed bewaart hij nog steeds een schoenendoos met stuiverromans en andere memorabilia over zijn idool. Wanneer hij eenmaal met de grote mannen mee mag doen, is hij in de zevende hemel. Ook al schept James er veel plezier in hem te kleineren en publiekelijk af te zeiken. Dat kan niet goed blijven gaan.

Nog opzichtiger dan American Gangster streeft The Assassination of Jesse James naar een plaats in The Hall of Fame van de speelfilm. Het tempo is vaak zo tergend langzaam dat het lijkt of een volgeling van Andrei Tarkovski zijn krachten beproeft op het westerngenre. Roger Deakins – de vaste cameraman van Joel en Ethan Coen – mag nog zo zijn stinkende best doen, hij is zonder een aansprekend scenario ook niet in staat iets coherents te maken van de wezenloze korenvelden en de vaak onbestemde huiskamerscènes. Brad Pitt speelt de schurk die ondanks sporen van zijn vroegere genialiteit het spoor bijster is geraakt. Je kunt je goed voorstellen dat tijdens zijn meer paranoïde momenten zijn manschappen peentjes zweten. Zijn acteren – en in mindere mate ook dat van Casey Affleck – redden de film van een roemloze ondergang. Maar het is kantje boord.
 
*********************************
Foto’s van de boekpresentaties van
Springveren, het beste uit De Leunstoel op:


© 2007 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
Kunstzinnig Hollywood Hans Knegtmans
0113 Hoe vertel ik ...
De tweede editie van het Leids Filmfestival heeft glansrijk de eindstreep gehaald. Tijdens de slotceremonie werden de drie IJzeren Haringen uitgedeeld aan de korte Nederlandse films Hard Boiled Chicken (categorie animatie), Pijn (categorie drama) en Lunch (categorie visualizing music, in dit geval muziek die door Hennie Vrienten was gecomponeerd). Uitgedeelde Haringen zijn natuurlijk geen betrouwbare indicator van een spetterend festival – ook het Eurovisie Songfestival levert jaarlijks een winnaar op, terwijl toch maar weinigen dit een geslaagd evenement vinden. Belangrijker is dat het festival dit jaar aanmerkelijk beter was georganiseerd dan in 2006. Een festivalsite met essentiële informatie, een handzaam programmaboekje met filmbeschrijvingen (en zelfs een heuse matrix van tijden, zalen en films zoals die al jaren door de grote broers IFFR, IDFA en het Nederlands Filmfestival worden geproduceerd), een filmaanbod dat beter was en meer divers dan verleden jaar en een stijging van het aantal bezoekers.

Natuurlijk werden de voorpremières uit het hoofdprogramma gemiddeld beter bezocht dan de verschillende bijprogramma’s: Russische films, Japanse klassiekers en documentaires (zowel serieuze als nep). Bij mijn weten is IFFR het enige Nederlandse festival dat niet aan dit euvel lijdt. Maar wat dan nog? Anders dan bij de vorige editie had ik ook bij ‘alternatieve’ vertoningen nooit minder dan 20 medebezoekers om me heen. Goed werk. En de organisatoren gaan door, hebben ze beloofd.

Tot de festivalsuccessen behoorden de Hollywood kaskrakers American Gangster – geprogrammeerd als openingsfilm – en The Assassination of Jesse James by the Coward Robert Ford. Een gangsterfilm en een western als publieksfavorieten, dat zal voor de laatste keer gebeurd zijn in de jaren zestig. Nu zijn het ook geen films van dertien in een dozijn. Beide zijn buitensporig lang (zo’n 160 minuten), hebben supersterren in de hoofdrol (Denzel Washington en Russell Crowe in Gangster, Brad Pitt in Jesse James), en ruiken een uur in de wind naar filmkunst met een grote F. Naar films waar we onbehoorlijk lang op hebben moeten wachten sinds, respectievelijk, Martin Scorsese’s Goodfellas en Clint Eastwoords Unforgiven. Maar Hollywood heeft de tendentieuze marketing min of meer uitgevonden, dus laat u zich alstublieft niet inpakken door het tromgeroffel.

American Gangster is gebaseerd op bestaande personen. Toen in 1968 in Harlem de gangster Bumpy Johnson overleed, besloot diens chauffeur en vertrouweling Frank Lucas (Denzel Washington) in zijn voetsporen te treden. Hij had Bumpy’s adagium goed in zijn oren geknoopt: ‘zorg dat je een beter en goedkoper product verkoopt dan de concurrentie.’ Bij de heroïnehandel gaat veel geld verloren aan tussenpersonen en het versnijden van het goedje. Dat kon dus beter. Daarom kocht hij zijn waar in het Verre Oosten en leverde als kleine zelfstandige direct aan zijn afnemers. Voor de import maakte hij gebruik van de aanwezigheid van het Amerikaanse leger in Vietnam. De lijkkisten van gesneuvelde soldaten boden de mogelijkheid tot onopvallend transport. Het valt te begrijpen dat de georganiseerde misdaad niet blij was met de onverwachte concurrentie van een onbekende nieuweling. Ook bij de politie werd, vanwege het gederfde smeergeld, de stemming er niet beter op.

De tweede historische figuur die regisseur Ridley Scott (Gladiator, Hannibal, Kingdom of Heaven) opvoert, is politieman Richie Roberts (Russell Crowe). Roberts maakte zich bij zijn collega’s gehaat doordat hij een vondst van bijna een miljoen dollar aan drugsgeld eerlijk bij zijn superieuren meldde, in plaats van, zoals een ‘normale’ politieagent betaamt, het in eigen zak te steken. Zijn chef droeg hem vervolgens op een rechercheteam te formeren dat een einde moest maken aan de losgebarsten drugsoorlog.

Met dit verhaal is niets mis, met de uitwerking des te meer. De kijker heeft eerder dan Roberts door wie zijn tegenstanders zijn: corrupte collega’s, de maffia maar bovenal de onzichtbaar opererende Frank Lucas. De twee hoofdfiguren ontmoeten elkaar pas tegen het eind van het verhaal. Tot dat moment zwenkt de cameraman trouwhartig heen en weer tussen de personages, en probeert Scott ons te laten zien dat Lucas en Roberts in meerdere opzichten elkaars tegenpolen zijn. Die poging pakt geforceerd uit. Het wordt al snel duidelijk dat Lucas een vat met tegenstrijdigheden is. Hij leidt het leven van een gedisciplineerd zakenman: met de kippen op stok en voor dag en dauw weer op pad, keurig maar onopvallend gekleed. Op zondag begeleidt hij zijn oude moeder naar de kerk, en hij onderhoudt een monogame relatie met zijn charmante vriendin. Maar o wee als iemand hem voor de voeten loopt! De kans is groot dat die de confrontatie niet kan navertellen. Zo onderbreekt hij een familielunch wanneer vanaf de straat een concurrerende – maar minder beschaafde – gangster hem uitdaagt. Hij gaat naar buiten, schiet de man dood, en vervolgt zijn lunch. Waar hadden we het ook alweer over?

Het lukt de regisseur echter niet Roberts eenzelfde complexiteit te bezorgen, al laat hij geen middel onbenut. De politieman voltooit in de avond zijn rechtenstudie en bestrijdt zijn onzichtbare tegenstander met toewijding. Intussen voert hij wel een bittere strijd met zijn echtgenote om de voogdij over hun zoontje. En, om het nog bonter te maken, neukt hij iedere vrouw die hij tegenkomt. Heb je het ooit zo zout gegeten? Maar deze suggestie van een complex karakter komt niet over. De kijker ziet niet meer dan een hardwerkende Russell Crowe die met zijn lichtelijk verbaasde hondenogen de wondere wereld van de drugshandel en corruptie aanschouwt. American Gangster ontleent zijn magie voor een belangrijk deel aan de verbazingwekkende werkelijkheid waarop hij gebaseerd is. Als je die achtergrond niet zou kennen, kijk je slechts naar een duur gemaakte, nogal langdradige misdaadfilm.

The Assassination of Jesse James by the Coward Robert Ford toont de beroemde outlaw in zijn nadagen. De tijd van de grote successen was allang voorbij en van de bendeleden van het eerste uur waren naast broer Frank James alleen Bob en Charley Ford nog over. (Wie de originele gang aan het werk wil zien, moet vooral een DVD huren van The Great Northfield Minnesota Raid uit 1972, van regisseur Philip Kaufman, met een beangstigende Robert Duvall als Jesse. Of anders The Long Riders, uit 1980, van Walter Hill. De gimmick van die film is dat de gebroeders James, Younger, Miller en Ford worden gespeeld door acteurs die ook in het dagelijks leven broers zijn, namelijk Frank en Stacy Keach, David, Keith en Robert Carradine, Randy en Dennis Quaid, en Christopher en Nicholas Guest.)

Dat laatste half jaar was voor de betrokkenen – Jesse en het zooitje ongeregeld waarmee hij nog een enkele overval pleegde – geen pretje. In de roman van Ron Hansen waarop regisseur en scenarist Andrew Dominik de film baseerde, is James een bipolaire persoonlijkheid met paranoïde trekjes. Meestentijds speelt hij de rechtschapen echtgenoot en vader van twee schattige kindjes, maar dan weer staat hij ineens bij een van zijn collega’s op de stoep, ergens op het troosteloze platteland van Missouri. Soms zomaar ‘voor de gezelligheid’, maar de kans is groter dat hem een onaangenaam gerucht over de bewoner ter ore is gekomen dat hij wil verifiëren. Tijdens die bezoekjes is de stemming te snijden. Iedereen doet het in zijn broek voor de gangster, en vrijwel altijd heeft het bendelid iets op zijn kerfstok. Alleen tast hij nog in het duister over wat zijn baas nu echt weet en welke vermoedens net nog rechtgelogen kunnen worden.

De enige die Jesse’s vertrouwen geniet is nieuwkomer Robert Ford, het jongere broertje van bendelid Charley. Deze creep (met gepaste weerzinwekkendheid gespeeld door een lispelende Casey Affleck) dringt zich vastberaden op aan zijn jeugdheld. Onder zijn bed bewaart hij nog steeds een schoenendoos met stuiverromans en andere memorabilia over zijn idool. Wanneer hij eenmaal met de grote mannen mee mag doen, is hij in de zevende hemel. Ook al schept James er veel plezier in hem te kleineren en publiekelijk af te zeiken. Dat kan niet goed blijven gaan.

Nog opzichtiger dan American Gangster streeft The Assassination of Jesse James naar een plaats in The Hall of Fame van de speelfilm. Het tempo is vaak zo tergend langzaam dat het lijkt of een volgeling van Andrei Tarkovski zijn krachten beproeft op het westerngenre. Roger Deakins – de vaste cameraman van Joel en Ethan Coen – mag nog zo zijn stinkende best doen, hij is zonder een aansprekend scenario ook niet in staat iets coherents te maken van de wezenloze korenvelden en de vaak onbestemde huiskamerscènes. Brad Pitt speelt de schurk die ondanks sporen van zijn vroegere genialiteit het spoor bijster is geraakt. Je kunt je goed voorstellen dat tijdens zijn meer paranoïde momenten zijn manschappen peentjes zweten. Zijn acteren – en in mindere mate ook dat van Casey Affleck – redden de film van een roemloze ondergang. Maar het is kantje boord.
 
*********************************
Foto’s van de boekpresentaties van
Springveren, het beste uit De Leunstoel op:
© 2007 Hans Knegtmans
powered by CJ2