archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
Een musical zonder één valse noot Hans Knegtmans

0113 Hoe vertel ik ...
Elk filmfestival heeft wat aardigheidjes in de programmering, die het evenement moeten verheffen tot meer dan zomaar wat filmvertoningen in korte tijd. Zo laat het Vlissingse FilmbytheSea, dat van 14 tot en met 23 september zijn negende editie beleeft, bezoekers stemmen over de vraag welke film die nog geen distributeur heeft gevonden, alsnog in de bioscopen terecht moet komen. Dat is leuk.
Na afloop van elke voorstelling vult de bezoeker het onvermijdelijke enquêtestrookje in: 1 is zeer slecht, 5 is zeer goed. De hoogst genoteerde film belandt, dankzij het oordeel van deze amateur-recensenten, mettertijd in de bioscoop. Ook films die qua distributie al onder de pannen zijn, worden door de bezoekers beoordeeld. Zo ontstaat een gemengde ranglijst die enerzijds aangeeft welke films het hoogst worden gewaardeerd, en daarenboven duidelijk maakt welke nog niet aangekochte ‘dark horses’ schreeuwen om landelijke vertoning.

In de winnende film van 2006, Son of Man (negende plaats in de publieksenquête), werd het verhaal over het leven van Jezus gesitueerd in Zuid-Afrika anno nu. Bij mijn beste weten is de vertoning van de film beperkt gebleven tot enkele andere festivals, en een middernachtelijke(!) tv-uitzending door het IKON. Nooit weg, maar niet wat de geënquêteerden in het vooruitzicht was gesteld. In plaats daarvan werd in het bioscoopcircuit een plaatsje ingeruimd voor de runner-up: de voortreffelijke Deense komedie Adams Apples (zie nummer 4,16).

Het paradepaardje van FbtS is het programmaonderdeel Film en Literatuur. Begrijpelijk. Hoe vaak wordt aan de borreltafel of tijdens een etentje niet gediscussieerd over de kwaliteit van een boekverfilming? Hoe vaak ontaarden deze gesprekken niet in chaos, doordat de ene discussiepartner alleen het boek heeft gelezen, terwijl de ander ook de film heeft gezien, en een derde het alleen met zijn filmkennis moet stellen? Wie kent niet de koddige spraakverwarring die ontstaat wanneer de een vindt dat de film geen recht doet aan het – eerder gelezen – boek, terwijl omgekeerd de ander het boek slechts een flauw aftreksel vindt van de film die hij lang geleden gezien heeft? Het ergst is natuurlijk de gesprekspartner er aan toe die, anders dan zijn erudiete tafelgenoten, alleen de verfilming heeft gezien, en toch moet voorwenden tot een vergelijkend oordeel in staat te zijn.

Tegelijkertijd verkondigt iedere cultuurminnaar, of hij nu verstand heeft van literatuur, van film of van beide, met grote stelligheid dat elke kunstvorm zijn eigen kwaliteitscriteria heeft, zodat je een boek nooit met een boekverfilming mag vergelijken. Want dan doe je of het ene medium tekort, of het andere, of misschien wel allebei. En/of je laat de regisseur dan wel de romanschrijver niet in zijn waarde.
Ja, hoor eens, dat mag nog zo plausibel klinken, in de praktijk denken en oordelen mensen niet zo. Wie verleden jaar op FbtS de boekverfilming Elementaire deeltjes zag na lezing van het boek, zag een andere film dan kijkers die het boek niet hadden gelezen, of er zelfs nog nooit van gehoord hadden. Dit jaar zal het al niet anders zijn. Van de tien verfilmde romans of korte verhalen ken ik slechts Gone Baby Gone van thrillerschrijver Dennis Lehane. (Dat riekt naar culturele armoede, maar de schade valt mee. De enige andere roman die je met goed fatsoen verplichte kost kunt noemen, is Atonement van Ian McEwan.) Lehane behoort tot de top van het thrillergenre, en ik zal de film dan ook met Argusogen bekijken: lijken de personages en de toonzetting van het verhaal op die van het boek? Dit nu vinden de juryleden – die de beste boekverfilming moeten aanwijzen, en zich daarbij uitdrukkelijk baseren op de filmische kwaliteiten – niet in orde. Een boek is een boek, en een film is een film.
Maar stel dat het – anders dan ik hiervoor beweerde – wél mogelijk zou zijn, de kwaliteit van een verfilmde roman geheel los te zien van het boek. Wat heeft het dan in godsnaam voor zin een jury de beste film te laten kiezen uit een tiental producties die als enig bindend element hebben dat ze allemaal op geschreven fictie gebaseerd zijn? Ik zou het niet weten. Misschien dat boekverfilmingen soms een interessanter thema aansnijden dan films die het ‘slechts’ met een filmscenario moeten stellen.

Eigenlijk hoop ik dat de jury (heel stiekem, want ze mag haar openlijk beleden verklaring van Onafhankelijkheid der Kunstvormen natuurlijk niet verloochenen!!) als eerste beoordelingscriterium de mate hanteert, waarin de regisseur de essentie van het boek trouw is gebleven. Alleen dan weten we of de term boekverfilming werkelijk van toepassing is (zoals La cérémonie van Claude Chabrol een voortreffelijke verfilming is van Ruth Rendells meesterwerk A Judgement in Stone), of dat de regisseur het thema van een geslaagd boek misbruikt voor een derderangs film (zoals auteur Donald E. Westlake, expert in misdaadkomedies, overkwam in onder meer The Hot Rock, Bank Shot, Jimmy the Kid, Two Much en What’s the Worst That Could Happen?).

Van de festivalfilms verschijnen er tien al binnen twee weken in het reguliere bioscoopcircuit. Op een aantal daarvan ga ik binnenkort zeker nog in. Hier wil ik het laten bij een bespreking van wat mogelijkerwijs de beste festivalfilm is. Once (van de Ierse regisseur John Carney) is een musical. Nee, niet schrikken! In de regel houd ik niet van musicals, al heb ik een jaar terug zeer genoten van Robert Altmans zwanenzang A Prairie Home Companion. ‘Once’ echter is de meest natuurlijke musical die je je kunt voorstellen.

De twee naamloze hoofdpersonen zijn een straatmuzikant in Dublin (zanger Glen Hansard van de Ierse band the Frames) en een Tsjechische immigrante (de piepjonge Markéta Irglová). Ze ontmoeten elkaar een paar keer op straat. Hij zingt met heilige overtuiging zijn zelfgecomponeerde liedjes en begeleidt zich op een gitaar die, gegeven de beschadigde geluidskast, opmerkelijk goed klinkt. Zij verkoopt bloemen en tijdschriften, en geniet van zijn muziek. Boy meets girl, dus.
Hoe nu verder? De jongen repareert in de werkplaats van zijn vader oude stofzuigers. Bij toeval heeft de Hoover van het meisje het begeven. Wil hij hem repareren? ‘Cool,’ zegt de jongen. (‘Once’ is geen praatfilm, en dat komt de geloofwaardigheid zeer ten goede.) Zo zien we een paar scènes later het meisje haar Hoover achter zich aan zeulen door de straten van Dublin, als een onwillige hond aan een riem.
Zelf speelt ze piano, ze zingt en heeft ook een paar liedjes gecomponeerd. In de instrumentenwinkel van een bevriende winkelier laat ze hem op de piano Mendelssohn horen, en daarna speelt hij haar zijn nieuwste compositie Falling Slowly voor. Zij is muzikaal genoeg om de akkoorden te herkennen, waardoor ze moeiteloos een tweede stem produceert. Dat smaakt naar meer.
De jongen wil het liefst een paar van zijn liedjes op een demo opnemen, maar een studio afhuren kost geld. Het meisje schiet hem het bedrag graag voor. Waarom niet? Het is mooie muziek, ze vinden het allebei belangrijk, waarom zou je dan op je centen zitten? Voor de opnamesessie huren ze wat bekenden van vroeger in, jongens die muzikaal op dezelfde golflengte zitten. Die studio-opname is het enige moment dat de filmmaker zich aan effectbejag schuldig maakt, maar het zij hem graag vergeven: we zien hoe de sceptische geluidsman voor de bijl gaat bij het ontroerende When Your Mind’s Made Up, zo onnadrukkelijk in vijfkwartsmaat gecomponeerd dat je zeer goed moet luisteren en tellen voor je de structuur begrijpt. De geluidsman maakt vervolgens graag overuren voor zijn nieuwe protégé’s.

En dat dunne verhaaltje zou de beste film van het festival zijn? Ja. Nou ja, er zit wel meer achter. Hij heeft een ex-vriendin in Londen die hij niet vergeten kan. Zij heeft een klein zoontje, wiens vader in Tsjechië is achtergebleven. Of dat een probleem blijft, moet de kijker maar afwachten. Misschien krijgen ze elkaar. Misschien niet, en dan moeten ze het doen met dierbare herinneringen. En de mooiste demo van de hele wereld. Ik heb na het zien van de film meteen de soundtrack gekocht. En als ik ergens een poster van de twee hoofdpersonen vind, hang ik die aan de muur, als in mijn studententijd.
 
******************************************
‘Springveren, het beste uit de leunstoel,’ is nu te koop.
Luister ook naar ‘De mannenpil,’ een van de bijdragen,
voorgelezen door Maeve van der Steen. Zie:


© 2007 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
Een musical zonder één valse noot Hans Knegtmans
0113 Hoe vertel ik ...
Elk filmfestival heeft wat aardigheidjes in de programmering, die het evenement moeten verheffen tot meer dan zomaar wat filmvertoningen in korte tijd. Zo laat het Vlissingse FilmbytheSea, dat van 14 tot en met 23 september zijn negende editie beleeft, bezoekers stemmen over de vraag welke film die nog geen distributeur heeft gevonden, alsnog in de bioscopen terecht moet komen. Dat is leuk.
Na afloop van elke voorstelling vult de bezoeker het onvermijdelijke enquêtestrookje in: 1 is zeer slecht, 5 is zeer goed. De hoogst genoteerde film belandt, dankzij het oordeel van deze amateur-recensenten, mettertijd in de bioscoop. Ook films die qua distributie al onder de pannen zijn, worden door de bezoekers beoordeeld. Zo ontstaat een gemengde ranglijst die enerzijds aangeeft welke films het hoogst worden gewaardeerd, en daarenboven duidelijk maakt welke nog niet aangekochte ‘dark horses’ schreeuwen om landelijke vertoning.

In de winnende film van 2006, Son of Man (negende plaats in de publieksenquête), werd het verhaal over het leven van Jezus gesitueerd in Zuid-Afrika anno nu. Bij mijn beste weten is de vertoning van de film beperkt gebleven tot enkele andere festivals, en een middernachtelijke(!) tv-uitzending door het IKON. Nooit weg, maar niet wat de geënquêteerden in het vooruitzicht was gesteld. In plaats daarvan werd in het bioscoopcircuit een plaatsje ingeruimd voor de runner-up: de voortreffelijke Deense komedie Adams Apples (zie nummer 4,16).

Het paradepaardje van FbtS is het programmaonderdeel Film en Literatuur. Begrijpelijk. Hoe vaak wordt aan de borreltafel of tijdens een etentje niet gediscussieerd over de kwaliteit van een boekverfilming? Hoe vaak ontaarden deze gesprekken niet in chaos, doordat de ene discussiepartner alleen het boek heeft gelezen, terwijl de ander ook de film heeft gezien, en een derde het alleen met zijn filmkennis moet stellen? Wie kent niet de koddige spraakverwarring die ontstaat wanneer de een vindt dat de film geen recht doet aan het – eerder gelezen – boek, terwijl omgekeerd de ander het boek slechts een flauw aftreksel vindt van de film die hij lang geleden gezien heeft? Het ergst is natuurlijk de gesprekspartner er aan toe die, anders dan zijn erudiete tafelgenoten, alleen de verfilming heeft gezien, en toch moet voorwenden tot een vergelijkend oordeel in staat te zijn.

Tegelijkertijd verkondigt iedere cultuurminnaar, of hij nu verstand heeft van literatuur, van film of van beide, met grote stelligheid dat elke kunstvorm zijn eigen kwaliteitscriteria heeft, zodat je een boek nooit met een boekverfilming mag vergelijken. Want dan doe je of het ene medium tekort, of het andere, of misschien wel allebei. En/of je laat de regisseur dan wel de romanschrijver niet in zijn waarde.
Ja, hoor eens, dat mag nog zo plausibel klinken, in de praktijk denken en oordelen mensen niet zo. Wie verleden jaar op FbtS de boekverfilming Elementaire deeltjes zag na lezing van het boek, zag een andere film dan kijkers die het boek niet hadden gelezen, of er zelfs nog nooit van gehoord hadden. Dit jaar zal het al niet anders zijn. Van de tien verfilmde romans of korte verhalen ken ik slechts Gone Baby Gone van thrillerschrijver Dennis Lehane. (Dat riekt naar culturele armoede, maar de schade valt mee. De enige andere roman die je met goed fatsoen verplichte kost kunt noemen, is Atonement van Ian McEwan.) Lehane behoort tot de top van het thrillergenre, en ik zal de film dan ook met Argusogen bekijken: lijken de personages en de toonzetting van het verhaal op die van het boek? Dit nu vinden de juryleden – die de beste boekverfilming moeten aanwijzen, en zich daarbij uitdrukkelijk baseren op de filmische kwaliteiten – niet in orde. Een boek is een boek, en een film is een film.
Maar stel dat het – anders dan ik hiervoor beweerde – wél mogelijk zou zijn, de kwaliteit van een verfilmde roman geheel los te zien van het boek. Wat heeft het dan in godsnaam voor zin een jury de beste film te laten kiezen uit een tiental producties die als enig bindend element hebben dat ze allemaal op geschreven fictie gebaseerd zijn? Ik zou het niet weten. Misschien dat boekverfilmingen soms een interessanter thema aansnijden dan films die het ‘slechts’ met een filmscenario moeten stellen.

Eigenlijk hoop ik dat de jury (heel stiekem, want ze mag haar openlijk beleden verklaring van Onafhankelijkheid der Kunstvormen natuurlijk niet verloochenen!!) als eerste beoordelingscriterium de mate hanteert, waarin de regisseur de essentie van het boek trouw is gebleven. Alleen dan weten we of de term boekverfilming werkelijk van toepassing is (zoals La cérémonie van Claude Chabrol een voortreffelijke verfilming is van Ruth Rendells meesterwerk A Judgement in Stone), of dat de regisseur het thema van een geslaagd boek misbruikt voor een derderangs film (zoals auteur Donald E. Westlake, expert in misdaadkomedies, overkwam in onder meer The Hot Rock, Bank Shot, Jimmy the Kid, Two Much en What’s the Worst That Could Happen?).

Van de festivalfilms verschijnen er tien al binnen twee weken in het reguliere bioscoopcircuit. Op een aantal daarvan ga ik binnenkort zeker nog in. Hier wil ik het laten bij een bespreking van wat mogelijkerwijs de beste festivalfilm is. Once (van de Ierse regisseur John Carney) is een musical. Nee, niet schrikken! In de regel houd ik niet van musicals, al heb ik een jaar terug zeer genoten van Robert Altmans zwanenzang A Prairie Home Companion. ‘Once’ echter is de meest natuurlijke musical die je je kunt voorstellen.

De twee naamloze hoofdpersonen zijn een straatmuzikant in Dublin (zanger Glen Hansard van de Ierse band the Frames) en een Tsjechische immigrante (de piepjonge Markéta Irglová). Ze ontmoeten elkaar een paar keer op straat. Hij zingt met heilige overtuiging zijn zelfgecomponeerde liedjes en begeleidt zich op een gitaar die, gegeven de beschadigde geluidskast, opmerkelijk goed klinkt. Zij verkoopt bloemen en tijdschriften, en geniet van zijn muziek. Boy meets girl, dus.
Hoe nu verder? De jongen repareert in de werkplaats van zijn vader oude stofzuigers. Bij toeval heeft de Hoover van het meisje het begeven. Wil hij hem repareren? ‘Cool,’ zegt de jongen. (‘Once’ is geen praatfilm, en dat komt de geloofwaardigheid zeer ten goede.) Zo zien we een paar scènes later het meisje haar Hoover achter zich aan zeulen door de straten van Dublin, als een onwillige hond aan een riem.
Zelf speelt ze piano, ze zingt en heeft ook een paar liedjes gecomponeerd. In de instrumentenwinkel van een bevriende winkelier laat ze hem op de piano Mendelssohn horen, en daarna speelt hij haar zijn nieuwste compositie Falling Slowly voor. Zij is muzikaal genoeg om de akkoorden te herkennen, waardoor ze moeiteloos een tweede stem produceert. Dat smaakt naar meer.
De jongen wil het liefst een paar van zijn liedjes op een demo opnemen, maar een studio afhuren kost geld. Het meisje schiet hem het bedrag graag voor. Waarom niet? Het is mooie muziek, ze vinden het allebei belangrijk, waarom zou je dan op je centen zitten? Voor de opnamesessie huren ze wat bekenden van vroeger in, jongens die muzikaal op dezelfde golflengte zitten. Die studio-opname is het enige moment dat de filmmaker zich aan effectbejag schuldig maakt, maar het zij hem graag vergeven: we zien hoe de sceptische geluidsman voor de bijl gaat bij het ontroerende When Your Mind’s Made Up, zo onnadrukkelijk in vijfkwartsmaat gecomponeerd dat je zeer goed moet luisteren en tellen voor je de structuur begrijpt. De geluidsman maakt vervolgens graag overuren voor zijn nieuwe protégé’s.

En dat dunne verhaaltje zou de beste film van het festival zijn? Ja. Nou ja, er zit wel meer achter. Hij heeft een ex-vriendin in Londen die hij niet vergeten kan. Zij heeft een klein zoontje, wiens vader in Tsjechië is achtergebleven. Of dat een probleem blijft, moet de kijker maar afwachten. Misschien krijgen ze elkaar. Misschien niet, en dan moeten ze het doen met dierbare herinneringen. En de mooiste demo van de hele wereld. Ik heb na het zien van de film meteen de soundtrack gekocht. En als ik ergens een poster van de twee hoofdpersonen vind, hang ik die aan de muur, als in mijn studententijd.
 
******************************************
‘Springveren, het beste uit de leunstoel,’ is nu te koop.
Luister ook naar ‘De mannenpil,’ een van de bijdragen,
voorgelezen door Maeve van der Steen. Zie:
© 2007 Hans Knegtmans
powered by CJ2