archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
Een dooltocht door Swinging London Hans Knegtmans

0113 Hoe vertel ik ...
Op 15 april 1966 bevatte Time Magazine een coverstory van de hand van de Amerikaanse journaliste Piri Halasz. London: The Swinging City heette het stuk, en het sloeg in als een bom. Het artikel puilt uit van honderden feitjes en weetjes. De teneur is dat je op dit moment (april 1966 dus) voor alles wat op cultureel terrein (in de breedste zin van het woord) ook maar een beetje belangrijk is in London moet wezen. Nergens anders. Dat sloeg aan bij die lezers die zichzelf altijd trendy hadden gevonden maar nu zwart op wit zagen dat ze geen flauw idee hadden waar het in de wereld werkelijk over ging. Het lijdt geen twijfel dat mevrouw Halasz in haar eentje verantwoordelijk is geweest voor een invasie van tienduizenden toeristen, die deze wondere hippe wereld wel eens van nabij wilden aanschouwen.

Een snelle berekening leert dat het op donderdag 12 april veertig jaar geleden is, dat de wereld in kennis werd gesteld van de spectaculaire gebeurtenissen in Londen. Het Filmhuis Den Haag heeft dit feit aangegrepen om – met een handvol subsidies en in samenwerking met filmtheaters in Eindhoven, Utrecht, Amsterdam, Rotterdam en Arnhem – gedurende meerdere weken een filmfestival te organiseren. De daar vertoonde films mogen over alles en nog wat gaan, als ze maar deels in Londen spelen, en als de hipheid waar het artikel op inspeelt duidelijk belicht wordt. Daar kun je alle kanten mee op, en dat gebeurt dan ook. Van de vijftien films zijn er zeven uitgekomen in 1967 of later. Twee daarvan zijn zelfs van recente datum ( de documentaires Stoned uit 2005 en In the beginning was the image: Conversations with Peter Whitehead, uit 2006).

Andere gaan verder terug in de tijd dan 1966, en dat maakt ze weinig representatief voor het Londen dat Halasz beschrijft. Maakt dat dan zoveel uit, een paar jaar? In die specifieke periode wel. De oudste film van het festival is A Hard Day’s Night, uitgebracht in juli 1964. Het regiedebuut van de grote Richard Lester en het eerste optreden van The Beatles in een heuse speelfilm. Al jaren wekken de schattige pagekopjes van de bandleden vooral bij de jongere generaties niet alleen vertedering maar daarenboven verbijstering. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat in een grijs verleden ouders bijna op de vuist gingen met hun kroost dat zich had bekeerd tot deze vieze, langharige zwijnen? Ik zou zeggen: pak er een foto bij van een universitaire student uit 1964 (uit Nederland, Engeland, Amerika of wat u maar wilt), en zie het verschil. Belangrijker is dat deze ‘verloedering’ slechts het begin was van veranderende culturele opvattingen, een verandering die eind jaren zestig een voorlopig eindpunt bereikte.

Vergelijk de podiumkleding en de haardracht van The Beatles van 1964 met de foto’s van hun album Revolver (1966), het jaar waar Halasz over schrijft. Dan zie je hoe de schattige Fab Four in een paar jaar getransformeerd zijn tot het langharig tuig dat ook nu nog de medemens in een onberedeneerde toestand van razernij kan brengen. Hetzelfde geldt voor The Rolling Stones: ten tijde van hun eerste LP – The Rolling Stones (1964) – zijn het nog keurige jongens, maar bij het verschijnen van Aftermath (1966) zou je ze het liefste onmiddellijk naar de kapper hebben gestuurd. De metamorfose gaat verder dan haar en kledij. Iemand die zonder kennis van zaken de eerste Beatle-elpee Please Please Me (1963) en vervolgens Revolver (1966) beluistert, zal zich nauwelijks kunnen voorstellen dat het hier dezelfde muzikanten en liedjesschrijvers betreft, zo groot zijn de thematische, tekstuele en muzikale ontwikkeling die de groep heeft meegemaakt. Ook bij de Stones zie je zo’n evolutie.

Op het festival valt het contrast tussen ‘nu’ en ‘vroeger’ het meest op als je de oudste festivalfilms vergelijkt met de documentaire Tonite Let’s All Make Love in London uit 1968. Daarin worden coryfeeën aan het woord gelaten die representatief zijn voor het Swinging Londen uit het Time-artikel: Beroemdheden als Michael Caine, Julie Christie, David Hockney, Mick Jagger en Vanessa Redgrave zeggen hun zegje over de tegencultuur van dat moment en de rol van London daarin. Behalve sterren zien we ook opnamen van hun publiek. Vrijwel iedereen in de film oogt natuurlijker en minder passé dan de professionele sterretjes die de eerdere films bevolken: de schoolmeisjes op de trein in A Hard Day’s Night, de uniform geklede en gekapte meiden die in The Knack, and How to Get It (eveneens van Richard Lester) letterlijk in de rij staan om door hun idool Tolin (Ray Brooks) te worden ontvangen. In Georgy Girl (hoewel die merkwaardig genoeg eveneens uit 1966 stamt) zien de hippe hoofdpersonen er niet uit. Alan Bates speelt een jongeman die eerder infantiel dan trendy oogt, met zijn witte outfit, inclusief een te krap petje, zijn ‘ludieke’ (lees: wezenloze) babbelpraat, en zijn al even ludieke huppelpasjes. Dat was het beeld dat de mode-industrie de jeugdige consumenten probeerde aan te praten. In hun vrije tijd droegen de sterren natuurlijk andere kleren en deden ze niet alsof ze, net als hun fans, zestien of zeventien waren.

Ook al is A Hard Day’s Night vooral filmtechnisch nog steeds indrukwekkend (critici prezen indertijd ‘de harde fotografie en snelle montage’), de opgelegde leukheid – humor, maar eerder goed voor een welwillende glimlach dan een onbeleefde schater – doet ruim veertig jaar later gedateerd aan. Ook de andere twee genoemde films lijden aan dit euvel. De meest bizarre festivalfilm uit die vroege periode is Catch Us If You Can. Op het eerste gezicht is dit regiedebuut van John Boorman een schaamteloze rip-off van A Hard Day’s Night, met The Dave Clark Five in de rol van The Beatles. (Dave Clark c.s. maakte een paar uitstekende hits als Over and over, Bits and Pieces, en Glad All Over.) Maar na het springerige begin spitst de film zich toe op een spijbelontsnapping van stuntman Mike (Dave Clark) en het uitgebuite fotomodelletje Dinah (Barbara Ferris). Op een rijkelijk vage manier worden zelfs uitwassen van de consumptiemaatschappij en vastliggende rolpatronen aan de orde gesteld. Komedie of aanklacht (waarschijnlijk wist de producent het zelf ook niet meer) ook deze film roept eerder deernis op dan enthousiasme.

Natuurlijk bleef ook bij insiders in de film- en platenindustrie de idiotie van wat er de afgelopen jaren onder het mom van tegencultuur was aangericht, niet onopgemerkt. In de festivalfilm Smashing Time (1967) nemen twee provinciale meisjes, hoewel ze met hooggespannen verwachtingen naar Londen zijn gekomen, de wereld van beatbands, fotografen, modellen en onnozele tieners flink op de hak, daarmee aangevend dat Swinging London niet zo heel erg meer swingde. Nog meedogenlozer ging Frank Zappa – leider van The Mothers of Invention – te werk. De hoes van de LP We’re Only in It for The Money was schaamteloos gejat van (‘geïnspireerd op’ zou goede bedoelingen kunnen suggereren, en die had Zappa allerminst) het Beatle-album Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band, en in de liedjes maakte hij korte metten met de cultuur van drugs, drop-outs en hippies. Dat hij San Francisco bezong (de stad van de flower power) en niet zozeer Londen, deed aan het idee niets af.

De films van Swinging London zijn voor het overgrote deel curieuze getuigenissen van een tegencultuur die – als hij in die vorm al echt bestaan heeft – op het moment dat Pira Halasz haar fameuze cover story schreef, op zijn laatste benen liep. Van de speelfilms zijn – naast A Hard Day’s Night – Darling en Morgan, a Suitable Case for Treatment het meest geslaagd. In het fantastisch gefilmde Darling (1965) speelt Julie Christie de rol van het fotomodel Diana, wier beeltenis dag in dag uit alle krantenkiosken en beplakbare muren siert. Niet alleen denkt ze dat ze een nationale beroemdheid is (dat is ze), maar ook meent ze dat ze met haar talent (welke talent?) de wereld naar haar hand mag zetten, en de medemens naar haar pijpen kan laten dansen. Dat is een schromelijke misvatting, en zowel de erudiete kunstverslaggever Robert (good old Dirk Bogarde) als de lepe zakenman Miles (angstaanjagende rol van Laurence Harvey) laten haar net zo hard en diep vallen als ze verdient.

Morgan, a Suitable Case for Treatment (in 1966 gemaakt door de geïmporteerde Tsjech Karel Reisz) is sinds jaar en dag een cultklassieker in het alternatieve circuit. Morgan (David Warner, al decennialang veroordeeld tot bijrollen in het heilloze circuit van de B-film) weigert te accepteren dat zijn echtgenote (Vanessa Redgrave in een mooie, ambivalente rol) zich van hem laat scheiden en trouwplannen koestert met een bij uitstek square zakenman. Morgan heeft, naast een ziekelijke geneigdheid tot practical jokes, een emotionele band met wilde dieren. Vooral van de aapachtigen is hij een grote fan. Achtereenvolgens ontvoert hij zijn ex, en als die ontvoering mislukt doet hij een laatste wanhopige poging om, getooid in gorillacostuum, zijn geliefde te behoeden voor haar vergissing. Anders dan de meeste andere festivalfilms bewijst Reisz dat komedie en tragiek, mits goed doordacht en geacteerd, perfect kunnen samengaan. Opvallend genoeg zijn Morgan en Darling, samen met Blow Up, de enige Swinging London-films die in het artikel van Halasz worden genoemd. Mijn advies: bezoek als het onderwerp u interesseert vooral Swinging London, maar wees selectief in uw filmkeus.
 
*************************************
Uitgave van De Leunstoel wordt mede mogelijk
gemaakt door donaties van:
Barbara Muller, Katharina Kouwenhoven, Hans Meijer,
Ruurd Kunnen, Beer Meijer, Carlo van Praag, J.Bakker,
Evelien Polter, Mabel Amber en Frits Hoorweg.


© 2007 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
Een dooltocht door Swinging London Hans Knegtmans
0113 Hoe vertel ik ...
Op 15 april 1966 bevatte Time Magazine een coverstory van de hand van de Amerikaanse journaliste Piri Halasz. London: The Swinging City heette het stuk, en het sloeg in als een bom. Het artikel puilt uit van honderden feitjes en weetjes. De teneur is dat je op dit moment (april 1966 dus) voor alles wat op cultureel terrein (in de breedste zin van het woord) ook maar een beetje belangrijk is in London moet wezen. Nergens anders. Dat sloeg aan bij die lezers die zichzelf altijd trendy hadden gevonden maar nu zwart op wit zagen dat ze geen flauw idee hadden waar het in de wereld werkelijk over ging. Het lijdt geen twijfel dat mevrouw Halasz in haar eentje verantwoordelijk is geweest voor een invasie van tienduizenden toeristen, die deze wondere hippe wereld wel eens van nabij wilden aanschouwen.

Een snelle berekening leert dat het op donderdag 12 april veertig jaar geleden is, dat de wereld in kennis werd gesteld van de spectaculaire gebeurtenissen in Londen. Het Filmhuis Den Haag heeft dit feit aangegrepen om – met een handvol subsidies en in samenwerking met filmtheaters in Eindhoven, Utrecht, Amsterdam, Rotterdam en Arnhem – gedurende meerdere weken een filmfestival te organiseren. De daar vertoonde films mogen over alles en nog wat gaan, als ze maar deels in Londen spelen, en als de hipheid waar het artikel op inspeelt duidelijk belicht wordt. Daar kun je alle kanten mee op, en dat gebeurt dan ook. Van de vijftien films zijn er zeven uitgekomen in 1967 of later. Twee daarvan zijn zelfs van recente datum ( de documentaires Stoned uit 2005 en In the beginning was the image: Conversations with Peter Whitehead, uit 2006).

Andere gaan verder terug in de tijd dan 1966, en dat maakt ze weinig representatief voor het Londen dat Halasz beschrijft. Maakt dat dan zoveel uit, een paar jaar? In die specifieke periode wel. De oudste film van het festival is A Hard Day’s Night, uitgebracht in juli 1964. Het regiedebuut van de grote Richard Lester en het eerste optreden van The Beatles in een heuse speelfilm. Al jaren wekken de schattige pagekopjes van de bandleden vooral bij de jongere generaties niet alleen vertedering maar daarenboven verbijstering. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat in een grijs verleden ouders bijna op de vuist gingen met hun kroost dat zich had bekeerd tot deze vieze, langharige zwijnen? Ik zou zeggen: pak er een foto bij van een universitaire student uit 1964 (uit Nederland, Engeland, Amerika of wat u maar wilt), en zie het verschil. Belangrijker is dat deze ‘verloedering’ slechts het begin was van veranderende culturele opvattingen, een verandering die eind jaren zestig een voorlopig eindpunt bereikte.

Vergelijk de podiumkleding en de haardracht van The Beatles van 1964 met de foto’s van hun album Revolver (1966), het jaar waar Halasz over schrijft. Dan zie je hoe de schattige Fab Four in een paar jaar getransformeerd zijn tot het langharig tuig dat ook nu nog de medemens in een onberedeneerde toestand van razernij kan brengen. Hetzelfde geldt voor The Rolling Stones: ten tijde van hun eerste LP – The Rolling Stones (1964) – zijn het nog keurige jongens, maar bij het verschijnen van Aftermath (1966) zou je ze het liefste onmiddellijk naar de kapper hebben gestuurd. De metamorfose gaat verder dan haar en kledij. Iemand die zonder kennis van zaken de eerste Beatle-elpee Please Please Me (1963) en vervolgens Revolver (1966) beluistert, zal zich nauwelijks kunnen voorstellen dat het hier dezelfde muzikanten en liedjesschrijvers betreft, zo groot zijn de thematische, tekstuele en muzikale ontwikkeling die de groep heeft meegemaakt. Ook bij de Stones zie je zo’n evolutie.

Op het festival valt het contrast tussen ‘nu’ en ‘vroeger’ het meest op als je de oudste festivalfilms vergelijkt met de documentaire Tonite Let’s All Make Love in London uit 1968. Daarin worden coryfeeën aan het woord gelaten die representatief zijn voor het Swinging Londen uit het Time-artikel: Beroemdheden als Michael Caine, Julie Christie, David Hockney, Mick Jagger en Vanessa Redgrave zeggen hun zegje over de tegencultuur van dat moment en de rol van London daarin. Behalve sterren zien we ook opnamen van hun publiek. Vrijwel iedereen in de film oogt natuurlijker en minder passé dan de professionele sterretjes die de eerdere films bevolken: de schoolmeisjes op de trein in A Hard Day’s Night, de uniform geklede en gekapte meiden die in The Knack, and How to Get It (eveneens van Richard Lester) letterlijk in de rij staan om door hun idool Tolin (Ray Brooks) te worden ontvangen. In Georgy Girl (hoewel die merkwaardig genoeg eveneens uit 1966 stamt) zien de hippe hoofdpersonen er niet uit. Alan Bates speelt een jongeman die eerder infantiel dan trendy oogt, met zijn witte outfit, inclusief een te krap petje, zijn ‘ludieke’ (lees: wezenloze) babbelpraat, en zijn al even ludieke huppelpasjes. Dat was het beeld dat de mode-industrie de jeugdige consumenten probeerde aan te praten. In hun vrije tijd droegen de sterren natuurlijk andere kleren en deden ze niet alsof ze, net als hun fans, zestien of zeventien waren.

Ook al is A Hard Day’s Night vooral filmtechnisch nog steeds indrukwekkend (critici prezen indertijd ‘de harde fotografie en snelle montage’), de opgelegde leukheid – humor, maar eerder goed voor een welwillende glimlach dan een onbeleefde schater – doet ruim veertig jaar later gedateerd aan. Ook de andere twee genoemde films lijden aan dit euvel. De meest bizarre festivalfilm uit die vroege periode is Catch Us If You Can. Op het eerste gezicht is dit regiedebuut van John Boorman een schaamteloze rip-off van A Hard Day’s Night, met The Dave Clark Five in de rol van The Beatles. (Dave Clark c.s. maakte een paar uitstekende hits als Over and over, Bits and Pieces, en Glad All Over.) Maar na het springerige begin spitst de film zich toe op een spijbelontsnapping van stuntman Mike (Dave Clark) en het uitgebuite fotomodelletje Dinah (Barbara Ferris). Op een rijkelijk vage manier worden zelfs uitwassen van de consumptiemaatschappij en vastliggende rolpatronen aan de orde gesteld. Komedie of aanklacht (waarschijnlijk wist de producent het zelf ook niet meer) ook deze film roept eerder deernis op dan enthousiasme.

Natuurlijk bleef ook bij insiders in de film- en platenindustrie de idiotie van wat er de afgelopen jaren onder het mom van tegencultuur was aangericht, niet onopgemerkt. In de festivalfilm Smashing Time (1967) nemen twee provinciale meisjes, hoewel ze met hooggespannen verwachtingen naar Londen zijn gekomen, de wereld van beatbands, fotografen, modellen en onnozele tieners flink op de hak, daarmee aangevend dat Swinging London niet zo heel erg meer swingde. Nog meedogenlozer ging Frank Zappa – leider van The Mothers of Invention – te werk. De hoes van de LP We’re Only in It for The Money was schaamteloos gejat van (‘geïnspireerd op’ zou goede bedoelingen kunnen suggereren, en die had Zappa allerminst) het Beatle-album Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band, en in de liedjes maakte hij korte metten met de cultuur van drugs, drop-outs en hippies. Dat hij San Francisco bezong (de stad van de flower power) en niet zozeer Londen, deed aan het idee niets af.

De films van Swinging London zijn voor het overgrote deel curieuze getuigenissen van een tegencultuur die – als hij in die vorm al echt bestaan heeft – op het moment dat Pira Halasz haar fameuze cover story schreef, op zijn laatste benen liep. Van de speelfilms zijn – naast A Hard Day’s Night – Darling en Morgan, a Suitable Case for Treatment het meest geslaagd. In het fantastisch gefilmde Darling (1965) speelt Julie Christie de rol van het fotomodel Diana, wier beeltenis dag in dag uit alle krantenkiosken en beplakbare muren siert. Niet alleen denkt ze dat ze een nationale beroemdheid is (dat is ze), maar ook meent ze dat ze met haar talent (welke talent?) de wereld naar haar hand mag zetten, en de medemens naar haar pijpen kan laten dansen. Dat is een schromelijke misvatting, en zowel de erudiete kunstverslaggever Robert (good old Dirk Bogarde) als de lepe zakenman Miles (angstaanjagende rol van Laurence Harvey) laten haar net zo hard en diep vallen als ze verdient.

Morgan, a Suitable Case for Treatment (in 1966 gemaakt door de geïmporteerde Tsjech Karel Reisz) is sinds jaar en dag een cultklassieker in het alternatieve circuit. Morgan (David Warner, al decennialang veroordeeld tot bijrollen in het heilloze circuit van de B-film) weigert te accepteren dat zijn echtgenote (Vanessa Redgrave in een mooie, ambivalente rol) zich van hem laat scheiden en trouwplannen koestert met een bij uitstek square zakenman. Morgan heeft, naast een ziekelijke geneigdheid tot practical jokes, een emotionele band met wilde dieren. Vooral van de aapachtigen is hij een grote fan. Achtereenvolgens ontvoert hij zijn ex, en als die ontvoering mislukt doet hij een laatste wanhopige poging om, getooid in gorillacostuum, zijn geliefde te behoeden voor haar vergissing. Anders dan de meeste andere festivalfilms bewijst Reisz dat komedie en tragiek, mits goed doordacht en geacteerd, perfect kunnen samengaan. Opvallend genoeg zijn Morgan en Darling, samen met Blow Up, de enige Swinging London-films die in het artikel van Halasz worden genoemd. Mijn advies: bezoek als het onderwerp u interesseert vooral Swinging London, maar wees selectief in uw filmkeus.
 
*************************************
Uitgave van De Leunstoel wordt mede mogelijk
gemaakt door donaties van:
Barbara Muller, Katharina Kouwenhoven, Hans Meijer,
Ruurd Kunnen, Beer Meijer, Carlo van Praag, J.Bakker,
Evelien Polter, Mabel Amber en Frits Hoorweg.
© 2007 Hans Knegtmans
powered by CJ2