archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 1
Jaargang 0
19 april 2003
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Niet uitstellen, eerst een Rus Henk Bergman

0100 Niet uitstellen eerst een Rus
De naam Oblomov zag ik voor het eerst aan het begin van de kennismakingstijd van de Amsterdamse studentensociëteit Olofspoort in september 1964. Ik had zojuist – toch redelijk nerveus – het programma voor de komende twee weken doorgelezen en me verbaasd over de ruime tijd die was uitgetrokken voor ‘doorlichten’. Maar liefst vier avonden waren ervoor gereserveerd. Ik vroeg me af bij wat voor soort vereniging ik terecht was gekomen: in elk geval een die de vinger nauw aan de pols hield als het om de gezondheid van de aanstaande leden ging. Enkele uren later al werd ik beroofd van mijn zeventienjarige onschuld. ‘Doorlichten’ had niets met mijn fysieke toestand te maken, maar stond voor kennismaking met de verschillende disputen. Dat waren kleine, aparte clubjes binnen de vereniging, waarvan de leden van alles met elkaar deden. Het waren er in totaal een dikke dertig en ze luisterden naar namen als Quatre Bières, Clauter, Baart en Ping Wong. En ook Oblomov.
 
Al die avonden van niet-ophoudende kennismaking verliepen ongeveer hetzelfde: vriendelijk, met soms de uitnodiging om nog eens langs te komen. Eén incidentje ben ik bijna veertig jaar later nog niet vergeten. Bij Oblomov gaf een jongen me direct de opdracht een verhandeling te houden over ‘het nut van het uitdelen van koebellen op het Centraal Station’. Ik viel stil. Een beetje vanwege de opdracht, maar vooral door de agressieve manier waarop die werd gegeven. ‘Ah, u kunt zich niet verdedigen,’ concludeerde de jongen akelig snel. De toon waarop hij het zei klonk me nog boosaardiger in de oren dan die van zijn openingszin. Tussen Oblomov en mij is het vanzelfsprekend niets geworden. Ik associeerde de naam decennia lang met lichte vormen van agressie.
 
Pas sinds kort ken ik de echte Oblomov, de hoofdpersoon uit de gelijknamige roman van Gontsjarow. Dat komt zo. Drie jaar geleden, op mijn 53e verjaardag, heb ik mijzelf de prettige verplichting opgelegd om alsnog zoveel mogelijk grote werken uit de wereldliteratuur te lezen. Natuurlijk had ik toen al best een aantal van dat soort beroemde boeken tot me genomen (inclusief vier mislukte pogingen om Ulyssis tot een goed einde te brengen), maar dat was toch al geruime tijd geleden en ik besloot van nul af aan te beginnen. Mijn tempo ligt op vijf à zes per jaar. Als ik het zo’n twintig jaar volhoud (waarbij de snelheid uiteraard flink omhoog kan als ik niet meer werk) kan ik nog een heel eind komen. Ik ben begonnen bij de Duitsers, daarna volgden de nodige Italianen en Spanjaarden en nu ben ik in mijn Russische periode. Inmiddels heb ik drie keer Dostojewski, twee keer Tolstoi, één keer Gogol en één keer Gontsjarow achter de rug. Dostojewski is mijn Russische favoriet (met De gebroeders Karamazov op één). Het meest verrast was ik door Dode zielen van Gogol. Een uiterst aangenaam boek, geschreven in een prettig flamboyante stijl. Je kunt er zelfs geregeld hardop om lachen – en voor welk ander Russisch boek gaat dat op?
 
En Oblomov? Het is een boek over een verre van agressieve man. Ilja Iljitsj Oblomov brengt zijn tijd bij voorkeur in bed door. Hij is dan ook niet voor niets de uitvinder van het oblomovisme: het absolute onvermogen om ergens echt aan te beginnen. Plannen maken? Dat gaat nog wel. Maar uitvoeren? Never. Steeds als hij echt in actie moet komen vraagt hij om uitstel. Moet het morgen al? Dat komt hem niet zo goed uit. Volgende week is veel beter, dan kan hij zich nog even goed voorbereiden. Maar volgende week zijn er natuurlijk weer andere obstakels die hem ervan weerhouden de handen uit de mouwen te steken. Kom je zo iemand in het echt tegen, dan wisselen ergernis en onbegrip zich af. Maar van Oblomov kun je het hebben. Want behalve lui en pessimistisch is hij ook kinderlijk aandoenlijk en bovendien altijd eerlijk tegenover zichzelf. De manier waarop een paar kennissen hem financieel beentje lichten is zelfs meelijwekkend. Nee, het is moeilijk een hekel aan Oblomov te krijgen.
Maar irriteren doet hij natuurlijk wel. De mooie Olga wordt verliefd op hem (en hij op haar), maar als het op trouwen aankomt (en dat moet toch echt in die tijd) verzint hij de meest obscure smoezen om alles weer voor zich uit te schuiven. Eind van het liedje is dat ze met Stolz, zijn beste vriend, trouwt. Oblomovs landgoed gaat slecht, zijn financiële positie is in geding, hij moet er naar toe om maatregelen te nemen, zegt veertig keer er aan te zullen beginnen – maar het komt er niet van. Zo werk je natuurlijk ruimschoots mee aan je eigen ondergang.
 
Het is alweer een maand of wat geleden dat ik de laatste bladzijde van Oblomov las. Maar ik moet nog regelmatig aan de hoofdpersoon denken. Vooral als ik het erg druk heb.




© 2004 Henk Bergman meer Henk Bergman - meer "De wereldliteratuur roept"
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Niet uitstellen, eerst een Rus Henk Bergman
0100 Niet uitstellen eerst een Rus
De naam Oblomov zag ik voor het eerst aan het begin van de kennismakingstijd van de Amsterdamse studentensociëteit Olofspoort in september 1964. Ik had zojuist – toch redelijk nerveus – het programma voor de komende twee weken doorgelezen en me verbaasd over de ruime tijd die was uitgetrokken voor ‘doorlichten’. Maar liefst vier avonden waren ervoor gereserveerd. Ik vroeg me af bij wat voor soort vereniging ik terecht was gekomen: in elk geval een die de vinger nauw aan de pols hield als het om de gezondheid van de aanstaande leden ging. Enkele uren later al werd ik beroofd van mijn zeventienjarige onschuld. ‘Doorlichten’ had niets met mijn fysieke toestand te maken, maar stond voor kennismaking met de verschillende disputen. Dat waren kleine, aparte clubjes binnen de vereniging, waarvan de leden van alles met elkaar deden. Het waren er in totaal een dikke dertig en ze luisterden naar namen als Quatre Bières, Clauter, Baart en Ping Wong. En ook Oblomov.
 
Al die avonden van niet-ophoudende kennismaking verliepen ongeveer hetzelfde: vriendelijk, met soms de uitnodiging om nog eens langs te komen. Eén incidentje ben ik bijna veertig jaar later nog niet vergeten. Bij Oblomov gaf een jongen me direct de opdracht een verhandeling te houden over ‘het nut van het uitdelen van koebellen op het Centraal Station’. Ik viel stil. Een beetje vanwege de opdracht, maar vooral door de agressieve manier waarop die werd gegeven. ‘Ah, u kunt zich niet verdedigen,’ concludeerde de jongen akelig snel. De toon waarop hij het zei klonk me nog boosaardiger in de oren dan die van zijn openingszin. Tussen Oblomov en mij is het vanzelfsprekend niets geworden. Ik associeerde de naam decennia lang met lichte vormen van agressie.
 
Pas sinds kort ken ik de echte Oblomov, de hoofdpersoon uit de gelijknamige roman van Gontsjarow. Dat komt zo. Drie jaar geleden, op mijn 53e verjaardag, heb ik mijzelf de prettige verplichting opgelegd om alsnog zoveel mogelijk grote werken uit de wereldliteratuur te lezen. Natuurlijk had ik toen al best een aantal van dat soort beroemde boeken tot me genomen (inclusief vier mislukte pogingen om Ulyssis tot een goed einde te brengen), maar dat was toch al geruime tijd geleden en ik besloot van nul af aan te beginnen. Mijn tempo ligt op vijf à zes per jaar. Als ik het zo’n twintig jaar volhoud (waarbij de snelheid uiteraard flink omhoog kan als ik niet meer werk) kan ik nog een heel eind komen. Ik ben begonnen bij de Duitsers, daarna volgden de nodige Italianen en Spanjaarden en nu ben ik in mijn Russische periode. Inmiddels heb ik drie keer Dostojewski, twee keer Tolstoi, één keer Gogol en één keer Gontsjarow achter de rug. Dostojewski is mijn Russische favoriet (met De gebroeders Karamazov op één). Het meest verrast was ik door Dode zielen van Gogol. Een uiterst aangenaam boek, geschreven in een prettig flamboyante stijl. Je kunt er zelfs geregeld hardop om lachen – en voor welk ander Russisch boek gaat dat op?
 
En Oblomov? Het is een boek over een verre van agressieve man. Ilja Iljitsj Oblomov brengt zijn tijd bij voorkeur in bed door. Hij is dan ook niet voor niets de uitvinder van het oblomovisme: het absolute onvermogen om ergens echt aan te beginnen. Plannen maken? Dat gaat nog wel. Maar uitvoeren? Never. Steeds als hij echt in actie moet komen vraagt hij om uitstel. Moet het morgen al? Dat komt hem niet zo goed uit. Volgende week is veel beter, dan kan hij zich nog even goed voorbereiden. Maar volgende week zijn er natuurlijk weer andere obstakels die hem ervan weerhouden de handen uit de mouwen te steken. Kom je zo iemand in het echt tegen, dan wisselen ergernis en onbegrip zich af. Maar van Oblomov kun je het hebben. Want behalve lui en pessimistisch is hij ook kinderlijk aandoenlijk en bovendien altijd eerlijk tegenover zichzelf. De manier waarop een paar kennissen hem financieel beentje lichten is zelfs meelijwekkend. Nee, het is moeilijk een hekel aan Oblomov te krijgen.
Maar irriteren doet hij natuurlijk wel. De mooie Olga wordt verliefd op hem (en hij op haar), maar als het op trouwen aankomt (en dat moet toch echt in die tijd) verzint hij de meest obscure smoezen om alles weer voor zich uit te schuiven. Eind van het liedje is dat ze met Stolz, zijn beste vriend, trouwt. Oblomovs landgoed gaat slecht, zijn financiële positie is in geding, hij moet er naar toe om maatregelen te nemen, zegt veertig keer er aan te zullen beginnen – maar het komt er niet van. Zo werk je natuurlijk ruimschoots mee aan je eigen ondergang.
 
Het is alweer een maand of wat geleden dat ik de laatste bladzijde van Oblomov las. Maar ik moet nog regelmatig aan de hoofdpersoon denken. Vooral als ik het erg druk heb.


© 2004 Henk Bergman
powered by CJ2